Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft toegerust. Gelijk aldus de tegenstelling tusschen gelijkheid en menigvuldigheid in de natuur der dingen praktisch (feitelijk) vereenigd en overwonnen is, zoo behoort ook het sociale leven van de toekomst, de menschen gelijk te maken in maatschappelijke rang en waarde, hen gelijke aanspraak te doen verkrijgen op genot van individueel leven, zonder daarnevens de persoonlijke verscheidenheid op te heffen, welke aan een ieder zijne bijzondere taak aanwijst, ieder veroorlooft zalig te worden naar zijn eigen facon1). Een nieuwen tijd is aangebroken. Hij verlangt, dat wij met nieuwe ideën, met nieuwe begrippen, zijne eischen tegemoet treden.

Daartoe is ten eerste en in de voornaamste plaats noodig, dat wij liet begrip van liet hpogste wezen, het begrip der volkomenheid hervormen. Tot nu toe had men het verhevene, het eerste, het hoogste, goddelijke en volkomene steeds als een eenig ding of wezen, gezocht en beschouwd. Hier waren het de Barbaren, welke een of andere boom daarvoor namen, daar was het een gouden kalf,-ginds weder eene toornende gerechtigheid, die in donder of bliksem leefde en. ten slotte waren het de christenen, die de geest der liefde verafgoodden. Waarom bleef nu deze geest der liefde zoo onvolkomen? Omdat aan die goddelijke liefde hare tegenstelling, liet vleesch en been ontbrak. Wij kunnen den geest der liefde slechts dan vleesch en been geven, indien wij het volkomene, het groote en hoogste niet in een enkel ding, niet in een enkele eigenschap, niet in een bepaalde persoonlijkheid zoeken, maar in (ie gemeenschap, in het gezamenlijk-zijn van alle menschen en dingen. Verschillende volken en verschillende tijden, verafgoodken zeer verschillende dingen als hoogste volkomenheid. Hier was het de lichamelijke sterkte of de krijgshaftige dapperheid, daar de Samaritaansche barmhartigheid of de geestelijke intelligentie (verstand.) Maar niets oji zich zelf staands, heeft zich kunnen handhaven. De goddelijke eigenschappen bleken even zoo vergankelijk te zijn, als de goden, en den tijd welke nu reeds zoo lang naaiden waren god zoekt. 0111 ten slotte zicli tot de erkenning gedwongen te zien, dat zoowel de dingen als de menschen, alle gelijkelijk verheven en hoog, gelijk volkomen en gelijk goddelijk zijn is nabij. Reeds hoor ik hen die ons Evangelie niet erkennen, de ketters, moord en brand schreeuwen over deze verschrikkelijke blasphemie (godslastering.) Deze klassemenschen kunnen zonder hunne onderscheiding in heeren en knechten, tusschen voornamen en geringen, goeden en kwaden niet tot begrijpen komen, huil komt het spaansch voor, dat het kromme hout even zooveel waarde heeft als liet rechte, de ezel van even zoo groote waarde is als de molenaar. Doch voorwaar, ik zegge u mijne hoorders! hoe verstandiger de molenaar is, zooveel te meer zal hij prijs stellen op

*) Dit doelt op een bekende uitspraak van Froderik do Groote, koning van Pruisen, die eenmaal zei de: In mijn land mag ieder zalig wordon naar zijn oigpn fiivon. d. w. z. kan ieder zijn godsdienst vrij uitoefenen.

Sluiten