Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Minister van Koloniën in zyne memorie van toelichting aangevoerde bezwaren tegen het particulier landbezit, waarin Z. E. zegt: , de op particuliere landerijen menigmaal voorkomende overdracht van de rechten der inlandsche opgezetenen aan niet-inlanders — strijdig met een gewichtig beginsel der agrarische wetgeving in de Gouvernementslanden — brengt de inlandsche opgezetenen in hoogst ongunstige economische verhoudingen."

Dit bezwaar had de Minister gevoegelijk achterwege kunnen laten, daar toch niets de Regeering belet, datzelfde beginsel op de particuliere landen in toepassing te brengen; de landsheeren zouden daardoor niet benadeeld worden.

Van meerderjarige, die zij nu is, wordt zy op onmondigheid gesteld; immers nadat het erfpachtsregt gebruiksregt is geworden, vallen zij onder de agrarische wet, St. 1901 no. '214, en hierna mogen de inlandsche bezitters hunne gronden niet meer verkoopen aan den meest biedende, als deze van een anderen landaard is, wat met recht kan genoemd worden een niet „met den eisch des tijds medegaan", dit hooge en zooveel zeggende woord, waarmede men den tegenwoordigen toestand der particulieren landerijen beschrijft, en ze daarom wil converteren. De inlander mag daarentegen dan wel zijn gronden in pand geven of verkoopen aan woekeraars, onder zijn al dan niet dessa-genooten, die ook als paddestoelen uit den grond oprijzen.

Na deze punten afgehandeld te hebben, behoudens dat der heerendiensten, waar ik nog op zal terugkomen, en dat het eenige is, waar de voorstanders van de convertering zich schijnbaar nog aan kunnen vasthouden, om hun standpunt te handhaven, maar bij aandachtige lezing van het reglement van zoo groot belang niet is. en vergeleken bij den tegenwoordigen stand der ontwikkeling van den Javaan, nog volkomen past in het kader van zijn omgeving, zal ik nu eens onder de aandacht mijner lezers brengen, welke de regten zijn, die het Gouvernement zich heeft voorbehouden, bij de decretering van het Reglement van Staatsblad 1836 no. 19, en waaruit ten duidelijkste blijkt, dat in 1836 het vooruitziende bezadigde mannen geweest die aan de samenstelling daarvan hebben gewerkt.

Het Reglement begint aldus:

Art. 1. De onvervreemdbare regten van het Gouvernement,

Sluiten