Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook staat, dat bij het vaststellen van het heffingspercentage met al de nevenfactoren rekening gehouden moet worden, w. o. hij ook opnoemt, behalve die van de verschillende gelegenheid tot aanplant van twee gewassen, ook van de gelegenheid tot bijverdiensten.

Ik geloof zeker en de heer Mulder zegt het m. a. w., dat de bevolking der particuliere landerijen liever ■/., van den oogst in nalura betaalt, zooais tot nu toe het geval is, dan de landrente op de Gouvernements-landen.

Ik zal in het kort hierover wat zeggen; velen weten toch, dat de Inlander geen financier of handelsman, om niet te spreken van het feit, dat hij over het algemeen analphabeet is, — door zijn wijze van levensbeschouwing zich niet om den dag van morgen bekreunt, en dat dus niet van hem kan gedacht worden, dat hij op het voor hem — meest gunstige oogenblik en op de meest voordeelige wijze zijn product te gelde weet te maken, voorts dat hij meestal zijn product, direct na den oogst, gebruikt om schulden — uitgezonderd de landrente daar hij hiervoor nog ruim een half jaar tijd heeft — te betalen en de onvermijdelijke huwelijks- en besnijdenis-feesten te geven (al welke nevenfactoren niet in aanmerking komen bij het vaststellen der landrente).

Hieruit volgt, dat tegen den tijd, dat bij hem aangedrongen wordt, om de belasting aan het Gouvernement te betalen, hij op de een of andere wijze aan het daarvoor benoodigde geld moet komen, hetzij door leenen tegen hooge rente, dan wel elders op de verwijderde ondernemingen arbeid te verrigten, wat hooge kosten met zich sleept, waardoor het dan best te verklaren is, dat zooals de heer mr. van Deventer in zijn Beschouwingen enz. op blz. 187 zegt, de druk der landrente zijn uiterste grens heeft bereikt, zoo niet overschreden.

Op particuliere landerijen zorgt de landheer, dat de opgezetene zoo spoedig mogelijk na het oogsten alles binnenbrengt, waaraan geene moeijelijkheden verbonden zijn.

De oprigting der Landbouw-Credietbank door de Bataviasche Landbouw-vereeniging getuigt van den goeden en ernstigen wil der particuliere landheeren, om het welzijn der opgezetenen te bevorderen.

De heer mr. C. Th. van Deventer vergelijkt de toestand der particuliere landheeren, na eerst verklaard te hebben op blz. 128,

Sluiten