Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Ik ontwikkelt zich, gelijken tred houdende met de wording der wereld in ons, door de wisselwerking tusschen krachten van buiten en van binnen. Door zijn tijdelijken aard kennen wij het en daarom behoort het tot het object.

Groot is vooral de invloed van den eenen mensch op den anderen. Het is bekend, vele voorbeelden hebben het herhaaldelijk aangetoond, wat er van de Ik-vorming bij die ongelukkige individuen werd, die, door welke oorzaken dan ook, geheel buiten menschelijke invloeden opgroeiden. Heftige gemoedsbewegingen wekken, op in het oogloopende wijze, heftige gemoedsbewegingen; doch ook zonder deze heftigheid openbaart zich wisselwerking.

Lachen is zoo aanstekelijk, is een gangbare uitdrukking; maar ook weenen, zingen, geeuwen, kuchen, hardloopen, vluchten, opgeruimdheid, neerslachtigheid, vrees, moed, liefde, drift, karakter enz., alles wekt zijn evenbeeld.

Het Ik kunnen wij ons denken als het aangrijpingspunt van de resultante van krachten in ons. Toen Leibniz zich enkelvoudige dingen dacht, zonder uitgebreidheid en zonder vorm, wier wezen kracht is, die hij monaden noemde en de ziel als zulk een monade zich voorstelde, was hij dicht bij iets, wat wij ons denken, als het aangrijpingspunt van de resultante van krachten in ons en dat wij, als zijnde niet bij de geboorte aanwezig, het Ik noemen.

De wil van een stok.

De wil van een stok! De stok wil op den punt niet staan, zegt men. - Het voorbeeld is te eenvoudig om te meenen, dat beeldspraak als taalfiguur hier op den voorgrond treedt. - De stok wil onder bepaalde omstandigheden wel staan. Waar is de zetel van zijn wil? — In het

Sluiten