Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer begint het eeuwige leven? Bij de geboorte? Bij de wording van 't bewustzijn? Zoo ja? Waar is dan de grens ?

Welke volken vallen onder 't voorrecht van 't niet sterfelijk? Ook de wilden? Zoo neen? Waar is dan de grens ? Alleen de gedoopte Christenen ? Is die uiterlijke, vormelijke doopspleehtigheid, uitgevoerd door een mensch dan van zooveel uitwerking op de godheid, dat zij er zich geheel door laat binden ? Buitendien is zulk een invloed op 't psysisch subject wel denkbaar ? Zullen de kinderen hun ouders, grootouders, overgrootouders, betovergrootouders weer zien en leeren kennen ? Allen als oude menschen, of in de kracht van hun leven, of worstelende op het sterfbed ?

Hoe denkt men zich dien staat van eeuwige gelukzaligheid ? Als een groot feest vol genietingen ; altjjd hetzelfde zonder einde — waarbij verveling buiten gesloten is ? Of zou men zich de staat van 't hoogste geluk, de grootste zaligheid, van eeuwige rust en vrede — goddelijker, vrij van al wat menschelijk is, beter kunnen denken dan in een toestand als voor de geboorte ? Zouden de hooge waarde van het menschelijk leven en de onderlinge wnardeering der menschen niet eerst krachtig tot haar recht kunnen komen bij de gedachte nan 't kortstondig bestaan ?

Wat wordt hier tegen ingebracht? Men stemt toe, het zijn vragen, die de twjjfelzueht schijnen te billijken ; maar voegt er aan toe, vergeet niet, verliest niet uit het oog, dat het alle vragen zjjn, die het psychisch object raken, altemnal wereldsche zaken en dat het onsterfelijkheidsgeloof vooral gebaseerd is op het bij de geboorte aanwezig zjjn van het psychisch subject, dat in zijn werkingen bekend, in zijn oorzaken onbekend is.

Sluiten