Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Kerk te zijn (bv. van een moderne) ontken, terwijl ik toch zijn feitelijk recht erken, zoolang hij niet door een kerkelijke uitspraak is afgezet. Dit feitelijke recht nu moet natuurlijk bij kerkrechtelijke zaken op den voorgrond gesteld worden1). Doet men dit niet, dan verliest men zich in een eindeloos subjectivisme, d. i. in grenzelooze willekeur. De een zal dan de grens van erkenning van het ambt wat enger, de ander wat ruimer trekken, doch het blijft altijd een persoonlijke, individueele meening. Zóó komt men uit het kerkelijke moeras niet uit. Neen, men vermeerdert integendeel de verwarring. Persoonlijke, individueele, eigenmachtige tuchtoefening is niet geoorloofd, tuchtoefening kan alleen geschieden door wettige kerkelijke vergaderingen.

Welke zijn nu die wettige kerkelijke vergaderingen? Dat zijn de Kerkeraad, de Classicale vergadering, de Provinciale Synode en de Nationale Synode. Alleen bij dez» wijze van presbyteriaansche kerkregeering komt het ambt naar onze overtuiging tot zijn recht. Wij kunnen dit thans maar zeer kort nader aan wijzen2).

Natuurlijk erkennen wij wel het feitelijke recht der thans bestaande, hoewel door de overheid opgedrongen besturen: Classicaal Bestuur, Prov. Bestuur, Synodaal bestuur. Maar wij beweren tevens, dat deze besturen aan het ambt te kort doen en daarom ook nooit een zuiver-kerkelijke rechtspraak geven kunnen. Zij kunnen alleen geven een hoogst-gebrekkige rechtspraak, die, juist omdat zij altijd min of meer willekeurig is, het kerkelijke leven niet kan bevorderen en de normale openbaring der Kerk moet tegenhouden.

De besturen hebben zelf ook wel instinktmatig gevoeld, dat zij het geestelijke recht misten om uitspraak te doen. Zij hebben eigenlijk nooit een uitspraak gedaan of alleen zulk een uitspraak, waarbij de eigenlijke kwestie

1) Ook moet vooral niet vergeten worden, dat feitelijk, historisch en vettelijk (volg. art. 11), heel onze Ned Herv. Kerk nog staat op den grondslag der drie formulieren van eenigheid, dus ook, kerkrechtelijk beschouwd, elke gemeente en elk ambtsdrager. Kerkrechtelijk kan men dus eigenlijk niet van ,,modernen'* spreken. Ik deed dit alleen gemakshalve en voor de^ duidelijkheid.

2) Zie deze stelling breeder aangetoond in mijne brochure De Kerkelijke organisatie en de praktijk, Utrecht, J. Bijleveld 1901. Vg. ook l)r. H. G. Klevn, Alqemeene Kerk en Plaatselijke Gemeente, Dordrecht 1888 en Voetius, Politica Ecclesiastica.

Sluiten