Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veu staan. Men moest veel verder gaan en eiken hiërarchischen zuurdesem uitbannen. Doch onze vaderen hebben aanstonds in deze independentische theorieën den revoluitionairen trek herkend. Zij hebben met taaie volharding gearbeid, totdat hier te lande de eenheid der Kerk zich openbaarde in een vast kerkverband, waaraan geen enkele plaatselijke kerk zich mocht onttrekken, of zij zou een scheurkerk geworden zijn, waartoe dus alle plaatselijke kerken werden gerekend te behooren, niet omdat zij willekeurig contractueel zich onderling verbonden hadden (confoederatief kerkverband), maar omdat deze samenhoorigheid van alle plaatselijke kerken in het wezen der Kerk als zijnde „het lichaam van Christus" (1 Cor. 12) gegrond was.

Deze eenheid der Kerk, als geheel genomen, spraken onze vaderen tegenover alle independentistische scheurmakerij dan ook kloekweg uit in art. 28 onzer Geloofsbelijdenis, waar wij lezen: „Wij gelooven..., dat niemand van wat staat of qualiteit hij zij, zich behoort op zichzelven te houden om op zijn eigen persoon te staan; maar dat zij allen schuldig zijn zichzelven daarbij [bij de ware Kerk] te voegen en daarmede te vereenigen; onderhoudende de eenigheid der Kerk [men lette erop, dat hier niet het meervoud „kerken" gebruikt wordt], zich onderwerpende aan de onderwijzing en tucht derzelve, den hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende de opbouwing der broederen, naar de gaven, die God hun verleend heeft, als onderlinge lidmaten eenszelven lichaams."

Voor deze eenheid der Kerk zijn onze vaderen ook in bange, zeer verdorvene tijden steeds opgekomen tegenover alle perfectionistisch drijven en alle separatistische neigingen. Met name Wilh. a Brakel heeft er in zijn Redelijke godsdienst een belangrijk hoofdstuk aan gewijd, dat wij in deze dagen, waarin de Gereformeerde beginselen van kerkrecht zelfs onder onze leiders meer en meer onbekend schijnen tc worden, aan onze gemeenteleden bij vernieuwing ter aandachtige lezing en behartiging aanbevelen. De titel van het bedoelde hoofdstuk XXV luidt: „Men moet zich bij de Kerk voegen en bij haar blijven." Ook Brakel spreekt hier weer van „kerk" cn niet van „kerken", waaruit blijkt, dat ook bij hem do eenheid, het geheel, op den voorgrond stond, zoodat ten onrechte sommigen zich beroepen op den term „Gereformeerde kerken",

Sluiten