Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in aanhaling B. de openhartigheid der bekentenis, dat de Regeering zelf niet veel verder is dan die leden, treft. Deze openhartigheid werd in alle vroegere uitingen van regeeringswege gemist. 1)

De regeering doet niet veel minder dan den doodsteek geven aan het belangrijkste deel van Bijlage II der Memorie van Toelichting van het wetsontwerp van 1885. Wel beperkt zij zich daarbij nog tot het gebied van eb en vloed, maar ieder deskundige, die weet, hoe de waterstanden, die voor het daarboven liggende gebied moeten gelden, berekend geworden zijn, althans volgens de genoemde Bijl. II der M. v. T., zal dadelijk moeten toegeven, dat ook die reserve veilig geschrapt worden kan.

De met behulp der formules voor permanente afstrooming berekende waterstanden zijn geen van alle bruikbaar, ook niet die, welke voor de bovenrivier zouden moeten gelden.

Al dadelijk rijst de vraag: hoe weet de Regeering, dat de invloed der getijden boven St. Andries niet meer beteekenend zal zijn, waar zij zelf erkent niet in staat te zijn de te verwachten waterstanden daar beneden te berekenen. De ondergeteekende is al dadelijk zoo vrij met de Regeering in meening te verschillen en de toekomstige grens van eb en vloed veel verder bovenwaarts dan St. Andries te plaatsen, althans bij gemiddelden afvoer van opperwater, zooals ook wel de bedoeling der Regeering geweest zal zijn. 2)

Het is hem echter ditmaal in hoofdzaak er om te doen, er de Regeering op te wijzen, dat ook de door haar nog voor juist gehouden berekende waterstanden voor plaatsen boven St. Andries ondeugdelijk zijn.

1) Reeds in 1890 toch werd door den lateren minister van Waterstaat, C. Lely, ter algemeene kennisse gebracht, dat de berekeningen van 1885 niet deugden.

2) Met toekomst wordt hier bedoeld het tijdstip waarop de door de opening der nieuwe rivier verstoorde evenwichtstoestand op de rivier de Maas zich zal hebben hersteld.

Sluiten