Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1de voorbeeld. De Maasdorpels van de beide schutsluizen aan de Henriëttewaard (Bokhoven) en te St. Andries moeten, aannemende, dat in beide sluizen gelijke diepgang voor de schepen wordt toegelaten, een verschil in hoogte-ligging hebben, overeenstemmende met het verval op de rivier de Maas tusschen die beide plaatsen bij de laagste waterstanden. Ook al hebbe men in de nieuwe schutsluis op eenigen meerderen diepgang gerekend, meer dan een paar decimeters kan dit verschil natuurlijk niet zijn, omdat het hier binnenscheepvaart geldt. Nu ligt de Maasdorpel van de schutsluis te St. Andries op 0.30 boven N. A. P., terwijl die van de sluis aan de Henriëttewaard op 2.70 beneden N. A. P. ligt, hieruit zou dus een verval bij lagen rivierstand groot 3,00 M. volgen.

Volgens de waterstaatkundige beschrijving van Nederland van W. Verweij Azn. (zie pag 459) is dit verval onder de tegenwoordige omstandigheden op 0.46 M, te stellen, welk verval volgens de berekeningen der M. v. T. van 1885 in de toekomst tot 1.55 M. zal toenemen. 1)

Ook al houdt men dit cijfer der Regeering, dat volgens den schrijver binnen een paar jaar, na een paar hooge wintervloeden, zal blijken veel te hoog te zijn, aan, ook dan nog ligt de Maasdorpel van de schutsluis te St. Andries ongeveer anderhalve meter te hoog.

Voorloopig zullen wij ons tot deze beide voorbeelden beperken.

varing bij de vorming der Nieuwe Merwede heeft geleerd, meent die verlaging niet te mogen verwachten, althans niet, wanneer de Baardwijksche of de Bokhovensche overlaat wordt opgehoogd, zooals in het vooruitzicht gesteld wordt.

1) Men lette er op dat, ofschoon het verval 3 4 4 maal grooter worden zal, toch de Regeering geen belangrijke zandbeweging op de Boven-Maas verwacht. (Mem. v. Antw. 2de Kamer. Stsbegr. 1903. hoofdst. IX pag 6).

Sluiten