Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Mandenmakers* en Rietbewerkersbedryven te Amsterdam.

Op 15 April 1900 richtte de afdeeling Amsterdam van den Nederlandschen Mand- en Rietbewerkersbond het verzoek tot de Kamer van Arbeid voor de Bouwbedrijven te Amsterdam om verbetering te brengen in de loonen, den arbeidstijd en de inrichting der werkplaatsen. Naar aanleiding van dit verzoek besloot de Kamer, alvorens maatregelen ter verbetering te beramen, eerst een onderzoek naar den bestaanden toestand in te stellen en wel eensdeels door het hooren van getuigen en anderdeels, daar de wet op de Kamers van Arbeid een onderzoek door getuigen zeer bezwaarlijk maakt, door het verzoek aan patroons en werklieden te richten 0111 door de Kamer opgestelde vragenlijsten in te vullen. Voor de Kamer zijn verschenen drie patroons en drie werklieden ; bovendien had de Kamer nog eenige personen opgeroepen, maar deze zijn niet verschenen. Door 14 patroons en 34 werklieden zijn vragenlijsten min of meer volledig ingevuld.

Uit de inlichtingen, die de Kamer op deze wijze verkregen heeft, is haar het volgende gebleken :

Op den voorgrond moet worden gesteld, dat niet alleen het mandemakersbedrijf een afzonderlijk, geheel van het rietbewerkersbedrijf te onderscheiden vak is, maar ook dat het eerstgenoemde bedrijf zelf zich in twee geheel van elkaar verschillende vormen voordoet, n.1. wat men kan noemen de vervaardiging van luxemandenwerk, voornamelijk bestaande uit huiselijke benoodigdheden, en die van grof mandewerk, voornamelijk uit verzendingsmiddelen bestaande.

Deze twee vormen van het bedrijf hebben ook ieder een eigen

Sluiten