Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gemeente zouden gedaan worden, hier te houden. Zij hebben nl. een productieve coöperatie gevormd, die het ruwste werk vervaardigt en zich met zulke lage prijzen tevreden stelt, dat met het platteland geconcurreerd kan worden. Hierdoor voert zij wel bestellingen uit, waaraan anders te Amsterdam niet voldaan kon worden, maar zij verdient dan ook niets meer dan een behoorlijk loon voor elk der werklieden; van winstmaken om tot kapitaalsvorming of -uitbreiding te komen, is geen sprake.

Een derde oorzaak van den achteruitgang van dezen tak van het mandenmakersbedrijf wordt vooral door de werklieden gezocht in de concurrentie van het gevangeniswerk en dat van de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid. Wanneer men nader onderzoekt, of deze concurrentie bestaat, dan vindt men, dat inderdaad vroeger in de gevangenis te Amsterdam manden gemaakt werden; een patroon verklaarde voor de Kamer, dat hij indertijd geregeld in de gevangenis ging lesgeven. Sinds eenige jaren is dit evenwel afgeschaft. Uit het verslag van de „rijkscommissie van onderzoek in zake de afbreuk door den arbeid in de gevangenissen, rijkswerkinrichtingen en rijksopvoedingsgestichten den arbeid in de vrije maatschappij gedaan", blijkt, dat zich in het jaar 1695 in de gevangenis te Amsterdam 2, te Roermond 2 en in de werkinrichting te Veenhuizen 1 mandenmaker bevonden en dat in die inrichtingen resp. 29, 207 en 139 stoelen voor particulieren gemaakt zijn. Uit de „Statistiek van het gevangeniswezen" van de jaren na 1S95 blijkt, dat in alle inrichtingen slechts manden voor eigen gebruik gemaakt worden. En wat de Maatschappij van Weldadigheid betreft, de Kamer heeft haar inlichtingen verzocht over het mandenwerk, dat zij Iaat verrichten en hierop is de mededeeling gevolgd, dat zij per jaar hoogstens 100 stoelen en 100 wannen naar Amsterdam zendt en dat er van de manden, die in Frederiksoord worden gemaakt, niet één naar Amsterdam wordt gezonden. Wel is het echter mogelijk, dat fabrikanten te Noordwolde veel artikelen naar Amsterdam zenden en dan beweren, dat hun goederen van de Maatschappij komen, ten einiie meer te kunnen verkoopen. Naar de meening der Kamer bestaat deze oorzaak van den achteruitgang dus niet.

Wanneer men den bovengeschetsten loop van zaken in het mandenmakersbedrijf nader beschouwt, dan ziet men, dat zich hier

Sluiten