Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

le, de 2e voor de le wijken moet. Luther en Zwingli zeggen ronduit: „Er is niet gezondigd."

4. Izaiik onderwerpt zich aan Gods leiding en keurt het goed, en ziet zeer goed in, dat hij niet bedrogen is om hem te doen dolen, maar dat hy door deze zaak van den doolweg op des Heeren weg is teruggebracht.

5. Het is alléén Ezau, die in haat en vijandschap aan den naam Jakob het bedriegelijke wezen toedicht.

DE AARTSVADER JAKOB EN DE BEHANDELING ZIJNER GESCHIEDENIS BIJ HET ONDERWIJS DER JEUGD.

Omtrent de groote waarde der Bijbelsche geschiedenissen heerscht voorzeker eene vrij algemeene eenstemmigheid, en dat de geschiedenis der Patriarchen van büzondere beteekenis is, zal ook wel weinig tegenspraak vinden. Intusschen vinden wij daarin zekere punten, over welker verklaring en behandeling - ook in Christelijke kringen — des te grooter verschil bestaat. Wij ontmoeten die vooral in het leven van Jakob, wiens karakter hoogst ongunstig beoordeeld, ja die door velen zoo te zeggen als de aartsvader der aartsschelmen beschouwd wordt.

Hem, die voor den stamvader van Christus nog een weinig eerbied heeft overgehouden, moet zoo iets toch smarten, vooral met het oog op de jeugd, die wij zoo gaarne hooren zingen: „Zalig hij, die in dit leven Jakobs Gods ter hulpe heeft." En hoe tegenstrijdig moet het een nadenkend kind voorkomen, als het den aartsvader Jakob nu eens hoort uitmaken voor eenen gemeenen bedrieger en hem dan toch weör in zijne geschiedenis stap voor stap ziet behandelen als Gods vriend! Wat moet het onder

Sluiten