Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarom de aandacht vooral op die feiten in het leven van Jakob, die hem ons doen kennen met betrekking tot Ezau en Laban.

Jakob, zegt men, heeft zijnen broeder bedrogen om het eerstgeboorterecht, hetgeen uit Hoofdstak 25 en 27 van Genesis duidelijk blijkt. Maar indien Hoofdstuk 27 het verhaal van den zegen van Izak en aan het slot van Hoofdstuk 25 dat van het linzengerecht geschiedenis is, wie durft ons dan het recht ontzeggen, ook Vers 21-23 van laatstgenoemd Hoofdstuk voor geschiedenis te houden? Hier vinden wij namelijk de woorden, waardoor de in hare hoop aangevochtene Rebekka van den Heere licht ontving over de toekomst harer beide zonen, de woorden: „De meerdere zal den mindere dienen"; eene uitspraak , die ook de Apostel Paulus belangrijk genoeg vond, om haar in zijnen Brief aan de Romeinen te pas te brengen. Geene acht te slaan op deze woorden bij de verklaring der volgende gebeurtenissen, zou ongeveer hetzelfde zijn, als het bevel Gods aan Abraham in Hoofdstuk 22, om zijnen zoon te offeren, te verzwijgen, en dan te verhalen, wat Abraham op Moria wilde doen. Abrahams geloofsdaad zou daardoor tot eene Kanaiinietisch-Heidensche gruweldaad verlaagd worden. Zoo zijn bijv. in den Glarner familiebijbel de woorden van Hoofdstuk 25 : 19 — 26 en daarmede van de geschiedenis van Jakob het alles verklarende begin weggelaten. Doch juist door zulk eene uitlating wordt de vooringenomenheid met Ezau en het vooroordeel tegen Jakob by velen bevorderd.

Maar, zal men tegenwerpen, men kan toch deze woorden niet aan kinderen laten lezen. — Wij stemmen het toe, maar met de verzuchting: Ach, dat onze catechisanten toch niet reeds langs andere en wel onreine wegen meer dan genoeg van zulke dingen wisten, opdat men hen eerst door den reinsten mond, den Bijbel, daarin kon laten onderwijzen, ware het ook in het voorbijgaan door het laten lezen of het voorlezen van zulke plaatsen. Vroeger werden de bedoelde gedeelten ook niet bij de huisgodsdienstoefening

Sluiten