Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te doen? De handen in den schoot leggen, afwachten, wat God zal doen, bidden? Dat, denken wij achterna, zou het beste geweest zijn. Voor deze gade en moeder, die er midden in stond, had de zaak echter een ander aanzien. Aan de eene zijde heeft zij haren echtgenoot den verschuldigden eerbied te bewijzen, te zwijgen en haren eigenen wil te onderwerpen aan den zijnen. Aan de andere zijde heeft zij voor zich de uitspraak, het duidelijke woord Gods: Niet Ezau is het, dien Ik gezegend wil hebben, maar Jakob. Maar als mijn man nu niet daarnaar handelt, maar het tegendeel doet, wat zal dan voor hem en ons huis het gevolg daarvan zijn? vraagde Rebekka zichzelve af. Zy heeft voorzeker gebeden, maar zij kon niet nalaten ook te te handelen, gelijk een Abraham, Mozes, David, Paulus en Luther onder dergelijke omstandigheden ook hebben gedaan bij al hun gelooven en bidden. Godsvrucht en liefde tot haren man deden Rebekka als het ware schrikken voor dezen noodlottigen stap van Izak. Het mag en zal niet gebeuren! klonk het in haar hart. Om alles niet! Weg eigen eer, weg naam van vroomheid! Wat is daaraan gelegen, wat aan mijn eigen persoon, als het gaat om Gods eer, om Gods Woord en om mijnen man te bewaren voor eenen heilloozen stap? „Uw vloek zij op mij, mijn zoon!" dat was geen zinledig woord. Rebekka wist, wat zij op zich nam, toen zij haar plan volvoerde en haren zoon noopte, om zijnen vader te bedriegen, opdat deze in zijne kortzichtigheid niet den noodlottigen misstap zou doen. De vloek en smaad der wereld is dan ook in Jakob rijkelijk op het hoofd zijner moeder neergekomen; maar niet de vloek Gods. Zij is in het recht gesteld, haar geloof heeft gezegevierd, hare liefde werd beloond. Half het bemerkend, half niet, heeft Izak Jakob gezegend, en toen het bedrog aan het licht kwam, herriep hij niet, ja in weerwil van al het bidden en roepen van Ezau verklaarde hij ronduit en beslist: „Ik heb hem gezegend, ook zal hij gezegend wezen." Zoo is Ezau, toen hij den zegen, na hem veracht te hebben, wilde beërven, zelf verworpen; „hij vond", zoo

Sluiten