Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zynen oom Laban, die na eene maand wel had bemerkt, hoe hij voor zijn bedrijf in Jakob iemand had gekregen, zooals hij zich geenen beteren kon wenschen, en daarom zoo beslist tot zijnen neef zeide: „Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij derhalve om niet dienen? Verklaar mij, wat zal uw loon zijn?" Doch het is immers dezelfde man, van wien wij Hoofdstuk 24 lezen: „En het geschiedde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijner zuster, — zoo kwam hij tot dien man bij de fontein, en hij zeide: „Kom in, gij gezegende des Heeren, waarom zoudt gij buitenstaan?" Hoe zalvend en onbaatzuchtig tevens! Geen wonder, voorwaar, als deze man bereid is, om aan zijn neef niet slechts ééne, maar zijne beide dochters uit te huwelijken, telkens na eenen zevenjarigen harden dienst. Laban blijkt de gansche geschiedenis van Jakob door dezelfde te zijn; in het allerlaatst maakt hij nog den slechtsten indruk. En toch moet ook hier Jakob weer de zondebok zijn. Zeker met minstens even weinig grond als in zijn gedrag jegens Ezau. Nadat Jakob alleen om Lea en Rachel omstreeks 14 jaar had gediend , verzocht hy, om te mogen heengaan. Doch Laban zeide: „Zoo ik nu genade gevonden heb in uwe oogen; ik heb waargenomen, dat de Heere mij om uwentwil gezegend heeft. In plaats van nu dienovereenkomstig en met het oog op zijne dochters en kleinkinderen voor Jakob eene bezoldiging in klinkende munt vast te stellen, komt Laban weder met zijn hebzuchtig-vriendelijk: „Noem mij uitdrukkelijk uwen loon, dien ik geven zal". Jakob houdt hem bij deze gelegenheid voor, welk eene vermeerdering van zijn vee hij aan hem te danken heeft, en vraagt: „Wanneer zal ik ook werken voor mijn huis"? Laban durft niets tegen te zeggen, maar komt ten derden male met zijn vrekkig: „Wat zal ik u geven"? Daarop doet Jakob hem het voorstel, dat Laban hem zal geven al het, gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten. Wat Jakob hier verlangde, moet by de oosterlingen

Sluiten