Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vader den naam Israël bezorgde, de aanleiding daartoe is bepaald genoeg aangegeven. Het was de vrees voor Ezau. Wanneer voorts in zijn verloop de strijd ook tot eenen geestelijken geworden is, d. w. z. wanneer nevens den angst vooi Ezau ook nog het bewustzijn van zonde en schuld en van het onverdiende der redding ontwaakte en zich met kracht deed gelden, dan behoeft het geen diefstal, roof, leugen en bedrog geweest te zijn, waaraan Jakob zich schuldig wist en waarvan hij belijdenis deed. Het is immers eigen aan den weg des geloofs, dat het oprechte hart in nieuwen nood en bij het uitblijven der verhooring en hulp den grond hiervan bij zichzelven in zijne zonde en onwaardigheid zoekt, en dat juist in zulke oogenblikken veel, dat vergeten was, weêr opduikt, en veel. dat klein is, groot wordt. Den aartsvader Jakob echter tot eenen zondeloozen heilige te maken , komt volstrekt niet in ons op, al nemen wij hem in bescherming tegen de heerschende onrechtvaardige beschuldigingen van slechtheid uit gewoonte.

Met Wien Jakob geworsteld heeft, daarop kunnen wij natuurlijk niet nader ingaan. Maar dit eene mogen wij niet verzwijgen: willen wij de woorden van Genesis tot hun rccht laten komen, dan mogen wij niet aarzelen, om hier zoowel als Hoofdstuk 18 en elders het voorbestaan van Christus te belijden, en te verklaren, dat het de eeuwige Zoon Gods was, met Wien de aartsvader hier te doen had. (Jon. 8 : 58.)

Eene versterking op zijne pelgrimsreis en zijnen heili-

gingsweg was deze worsteling aan den Jabbok voor den

aartsvader in zooverre, als hij daar zichzelven in ztfne

zondigheid en ellende, God in Zijne heiligheid en verlossende

genade opnieuw leerde kennen, en in zijne verwrongen

heup voor zijn gansche leven eene herinnering onving aan

de ook hem reeds geldende waarheid: „Als ik zwak ben,

dan ben ik machtig", of- „Met onze macht wordt niets uitgericht".

legen Jakobs oprechtheid en waardigheid meent men eindeiyk ook nog een snydend wapen in de hand te hebben

Sluiten