Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(hier wordt hij in de rede gevallen.)

Wanneer Claes Gerritsz (op pag. 303) gepromoveerd tot 's graven ambtman te Stavoren, in die hoedanigheid den Frieschen landdag in Gaasterland wil bijwonen en men hem de toelating weigert, zegt hij: „Hoe! ik wil niet hopen, dat men mij mijn recht van zitting zou betwisten. Bij het Privilegie, in 1299 door Graaf Jan I geschonken aan (hier wordt hij in de rede gevallen.)

Op pag. 304 vervolgt hij: „Volgens art. VII van het Privilegie van Graaf Floris V zullen ter plaatse, waar de graaf zich niet in persoon bevindt, alle schouten, schepenen of in zijn naam aangestelde personen

(hier wordt hij in de rede gevallen.)

Laten we de voorstelling van Claes Gerritsz hiermee eindigen. De kennismaking met hem is zeker verre van aangenaam geweest. Merkt op: Claes Gerritsz houdt inet hand en tand vast aan zijn Privilegies; steeds wordt hij in de rede gevallen en meest op een onhebbelijke manier en Van Lennep laat hem niet alleen spreken, doch ook kraaien en balken, waardoor hij hem successievelijk degradeert tot haan en ezel.

Claes Gerritsz is niet, zooals velen in de roman een historisch persoon, hij heeft waarschijnlijk nooit bestaan en zal wel een romantische fictie zijn van Van Lennep. En wat stelt hij voor? Niets minder dan het Nederlandsch Volkskarakter !

Claes Gerritsz in de „Roos van Dekama" is het type van den Nederlander!

Zeer juist heeft Van Lennep hem geschetst in zijn vasthoudendheid aan zijn Privilegies. De Nederlander houdt met hand en tand vast aan zijn oude voorrechten, aan allerlei oude gebruiken en gewoonten; hij is conservatief in het hart en wars van het nieuwe. Denkt slechts aan de verschillende oude kleederdrachten, eigenaardige gebruiken van ons volk, die overbekend zijn in verschillende deelen van ons land; terwijl de Geschiedenis uit vele harer gebeurlijkheden het bewijs levert, hoe onwrikbaar ons volk heeft stand gehouden, waar het gold zijn oude

Sluiten