Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch hij mist ook die zijner tijdgenooten en het zijn vooral edellieden en ridders, die hem telkens den mond snoeren en in een bespottelijk daglicht siellen. De ridders komen in botsing met ons volkskarakter, dus kon ook het Ridderwezen op onzen bodem nooit tot bloei komen.

VI. De Geestelijkheid dier dagen.

In den duisteren nacht der Middeleeuwen zijn het vooral de geestelijkheid en de kloosters geweest, die het volk ontwikkeling gebracht, de ruwheid der zeden verzacht en de naastenliefde en verdraagzaamheid van den Christus ingang hebben doen vinden in de harten der menschen. Hoewel ook in den door Van Lennep beschreven tijd er onder de geestelijken waren, die op lage trap van beschaving stonden ; toch had de geestelijkheid ook hier te lande veel invloed ten goede op het volk. En waar Van Lennep in zijn boek verschillende geestelijken laat optreden, daar had hij ook dat kenmerkende ervan uit zijn gekozen tijdvak aan het licht moeten brengen. En wie der voorgestelde geestelijken treedt werkelijk als zoodanig op?

Alleen Jan van Arkel, de bisschop, even slechts bij het leiden van den lijkdienst van Graaf Willem IV.

En niet alleen toont Van Lennep ons de Geestelijkheid niet in haar functie, wat hij aan het historisch tijdvak verplicht was; neen erger nog hij teekent ze verkeerd en geeft een valsch beeld der Geestelijkheid uit dien tijd. Gaan wij slechts na: De bisschop, Jan van Arkel, de hoogste in rang, wordt ons geschetst als de ergste in boosheid.

De abt van Sint Odulf is een verwaand, onbeduidend wezen, wiens hooger ambt in het niet zinkt tegenover den monnik, Vader Syard, verreweg zijn meerdere in ontwikkeling. Vader Syard is nederig, schijnbaar gering, maar werkzaam, schrander en hakend naar intrigue, doch meer staatsman dan geestelijke. Zijn karakter komt door tegenstelling met dat van den abt van Sint Odulf uitstekend aan het licht en behoort tot een der best geslaagde karakterteekeningen der roman.

Sluiten