Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vast inkomen verzekerd. Ieder van hen verbindt zich, om zóó tot den Heer te staan, dat hij, wat tot zijnen nooddruft dient, van Hem begeeren en ontvangen kan.

Zij hoopt voor al haren stoffelijken en geestelijken nooddruft volkómen op de genade van Hem, die gezegd heeft: „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen 11. toegeworpen worden."

Zij vertrouwt, dat God, in allen, die in deze evangelisatie een werkzaam aandeel hebben, zal werken wat welbehagelijk is voor Hem, door Jezus Christus, denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. —

Nu een Comité was benoemd, de beginselen vastgesteld waren en een zeer doelmatige tent van de Duitsche Zeltmission was overgenomen, werd besloten de tent voor de eerste maal te Apeldoorn, als in de schaduw van den heerlijken Oranjestam, te plaatsen en haar den 3en September in gebruik te nemen

Naar aanleiding van deze blijde gebeurtenis schreef Ds. E. B. COUVÉE in „de Nederlander" van 18 Augustus 1906 het volgende:

„ . . . . God geve dat deze „Zending" een breede plaats ga innemen in 't hart en 't gebed van alle kinderen Gods in Nederland.

Zij behoort niet aan eenige partij of eenig kerkgenootschap, maar aan allen gezamenlijk. En tegenover ons kerkelijk publiek wil ik er den nadruk opleggen, dat zij ook niet behoeft te liggen onder de verdenking „onkerkelijk" te zijn.

Integendeel! Juist de kerken hebben oorzaak haar met blijdschap te begroeten. Wij begeeren in alle ootmoedigheid niet anders dan het groote deficit van den kerkelijken arbeid een weinig aan te vullen.

Allereerst met het oog op de groote en grooter wordende schare, die van de kerk is losgeraakt en die geen kerkelijke arbeid meer bereikt. Zulken wenschen wij (als een verlengstuk der kerken) te bereiken met 't Evangelie der genade. Niet om uit de gewonnenen aparte kerkjes te bouwen of anti-kerkelijke kringen te gaan oprichten.

Deze arbeid is een dadelijke vrucht van de opwekkingsbeweging. En hoeveel zegeningen daarvan ook zijn aan te wijzen, als de geringste acht ik niet dat er toenadering is gekomen tusschen wat in de kerk voor den Heer begeert te leven, en wat buiten de kerk dat zelfde wenscht. Wij kerkelijke menschen zijn gaan zien en waardeeren den zegen van den arbeid in zoogen. „vrije kringen".

En de mannen uit de vrije kringen hebben geleerd meer waardeering te gevoelen voor kerkelijken arbeid.

In „de beginselen" komt dit ook zeer beslist aan den dag. Sub. 2° luidt: „Men moet hen die voor Christus gewonnen worden en nog tot geen Christelijke gemeenschap behooren, volkomen vrijlaten, bij welke gemeenschap zij zich willen aansluiten; bij hen die reeds van zulk een gemeenschap deel uitmaken, wordt als beginsel verondersteld, dat zij de ontvangen genade zooveel mogelijk zullen uitleven in den kring waartoe sij behoorenLaat ik voor bedenkelijke gemoederen hier de verklaring geven van dit „zooveel mogelijk." Ons leidde daarbij de gedachte dat er helaas Protestantsche Kerkgenootschappen zijn, waar 't licht des Evangelies ten eenenmale is gebluscht en de zielen dus zouden gedoemd zijn van honger om te komen. Laten zij dan tijdelijk hun voedsel elders gaan ontvangen.

Wij hebben dan ook met vrijmoedigheid uitnoodigingen gezonden aan alle Protestantsche Christelijke Kerkbesturen, die daarvoor in aanmerking kwamen om de openingsplechtigheid bij te wonen, met de oprechte begeerte dat zij daaraan gehoor geven.

't Is van liet allergrootste belang dat deze arbeid, die in oprechtheid zich stelt ook in dienst der kerken, niet door de Kerk self in den anti-kerkelijken hoek worde geduwd. Als er straks door Gods genade zielen worden gewonnen en getrouw teruggebracht naar den herder bij wien zij thuis behooren, dan vinde men niet uit kleinzielige bevooroordeeling of welk ander ongeestelijk motief, niets dan koude terugstooting of verwaarloozing. Men begeert in elke plaats waar de tent moge komen, allereerst aansluiting te zoeken bij de kerken. Dat de voor-

Sluiten