Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij kunnen gewillig zijn, om uit te gaan in struik en heg om den armen het Evangelie te verkondigen. Hij moet ons van stap tot stap leiden; ons toonen, waar Hij wil en hoe Hij wil, dat er gearbeid zal worden. Dan alleen zal Zijn aangezicht met ons kunnen gaan. En enkel daarin ligt voor ons de geruststelling op de vele punten, die ons anders zeker in bange onrust zouden brengen.

Wij zijn voor alles, reeds van het eerste oogenblik, van Hem volkomen afhankelijk.

Laten allen, die bijeenkomen op den openingsdag, hetzij om te dienen hetzij om van hunne belangstelling in dit zendingswerk te doen blijken, in dit gevoel vereenigd zijn.

Onzen grooten God en Zaligmaker Jezus Christus worde alle plaats ingeruimd! Geen mensch sta op den voorgrond. Ook van den middengrond zij „alle vleesch" geweerd. Zelfs op den achtergrond wordt niet het schepsel aanschouwd. De gansclie ruimte moet beschikbaar zijn voor onzen doorluchtigen Vorst, dat Hij Zijne majestueuze tegenwoordigheid ongehinderd kunne openbaren.

Niemand worde gezien, dan Jezus alleen.

Jezus zij de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde. Hij alleen: alles. Wij saam: niets.

Niets — in ons zelf.

En in Hem — alleen wat Hij ons maakt.

Wij sijn klein.

De grootste onder ons.

Laten wij het willen wezen.

Tegenover God.

Maar ook tegenover elkander.

Ja, laat ons in den geest van diepen ontmoed bijeenkomen.

Den nederigen geeft God genade.

Blijve het onder ons allen afgesproken voor den dag der opening:

Wij allen saam: klein.

De Heer alleen groot op dien dag."

Met dit waardig woord van Ds. COUVÉE en van Ds. VAN HEEST, dat ook als een soort van „Memorie van Toelichting" op de beginselen der Nederlandsche Tentzending beschouwd kan worden, werd deze arbeid nader ingeleid bij Neerlands Christenen, en het heeft ons getroffen, dat een breede schare het woord van den Schiedamschen predikant heeft verstaan.

Het was te verwachten dat velen zich op den 3en September zouden opmaken om getuige te zijn van de plechtige indienststelling van de eerste tent der Nederlandsche Tentzending. En in deze verwachting is men niet teleurgesteld. Uit alle oorden des lands en uit alle kringen onzer samenleving is men op dien merkwaardigen datum naar de zomer-residentie van H. M. de Koningin gereisd.

De (ronde) tent, ruimte biedende aan 2000 personen, geeft een alleszins vriendelijken indruk. Wordt het oog bij het binnentreden in de portiek eerst aangenaam getroffen door een keurige uitstalling van boekwerken, teksten, traktaatjes, prentbriefkaarten, broches met veelzeggende inschriften of symbolen, die als tot koopen uitnoodigen, zoo krijgt men eerst een diepen indruk, wanneer men de groote ruimte betreedt van de eigenlijke tent, groot ook door haar eenvoud, terwijl onwillekeurig het oog geboeid wordt door de smaakvol gedrapeerde tribune met catheder, die op helder rood de met goud gestikte naam ,,JEZUS" als 't ware uitstraalt. De tribune geeft met haar donker groene draperiën een aangenaam rustigen indruk. Aan beide zijden van den catheder leest men : „Predikt het Evangelie — aan alle schepselen," terwijl boven de tribune het ,,Heden zoo gij Zijne stemme hoort, verhardt U niet, maar laat u leiden" op zich zelf reeds een ernstige prediking is, evenals dat „Land, land, hoor des Heeren Woord."

Maar ook, rondom, waar men het oog ook laat rusten, wordt het wit van de linnen tent aangenaam onderbroken door sprekende woorden uit Gods Woord,

Sluiten