Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste bedenking kwam hierop neei : „Die Tentzending is niet noodig." Er zijn arbeidskrachten genoeg!

Doch een blik in den ronde, een blik op de „pastoraal", op het arbeidsterrein van sielsorg in hoeveel gemeenten wel van ons vaderland, had ook hem onder den diepen en levendigen indruk gebracht: dat de predikanten in den regel dit hun werk niet afkunnen.

Waarlijk, daar wordt veel gedaan in onsen tijd, ook van uit de kerk; maar ach, wat scharen van menschen sijn er — en sij nemen eer toe dan af — die de bedehuizen voorbij gaan!

Hoe vele honderden staan daar nu ledig aan de markt, van wie het woord wel gelden mocht: „Niemand heeft ons gehuurd." De kerk bereikt hen reeds lang niet meer; om nu al die swervenden en dolenden te bereiken, daarvoor ontbreken eenvoudig de arbeidskrachten.

Zou dan Jezus' veelzeggende aanwijsing: „De oogst is groot, maar de arbeiders sijn weinigen," voor onsen tijd en voor dit geslacht niet langer gelden ? Zou de bede: „Heere, stoot arbeiders uit in uwen wijngaard!" overbodig zijn geworden? Wij weten wel beter.

Een tweede bedenking zou deze kunnen sijn, — en sij wordt ook wel gemaakt: „Wij brengen hetzelfde Evangelie als die lieden."

Maar daarop kan als wedervraag geantwoord worden: „Is 't daarom onnoodig? Waarom kan het werk niet van twee zijden gedaan worden? Of kan dit bezwaar soms schuilen in zekeren monopoliezucht?" Maar dat is een ongeoorloofde zaak! In de school des Meesters wordt zulks waarlijk niet geleerd en komt 't ook heelemaal niet te pas. Spreker beriep zich op een paar sterksprekende voorbeelden uit Jezus' omwandeling onder zijn volk. Zoo bijv. toen verkeerde ijver van de zijde Zijner discipelen eens iemand verdrongen had, zelfs verboden, omdat hij „ons niet volgt," zooals dan de acte van beschuldiging luidde. En daarop 's Heilands terechtwijzing: „Verbiedt hem niet, want niemand die eenige kracht verricht in den naam Gods, zal kwalijk van ons kunnen bevonden worden te spreken."

O, vooral toch geen afscheidspalen!

En zoo de vraag der vreeze zich zou willen gaan voordoen: „Zal 't tegen de kerk gaan?" dan geeft het Comité al voldoenden waarborg hierin, dat er predikanten uit de kerk zitting hebben in voornoemd Comité.

Een derde bedenking zou tegen alle denkbeeld willen ingaan van Reveil in 't algemeen, of conferentie, of hoe men 't noemen wil. Men keurt 't af, of schildert 't af als een werking op het gevoel en de verbeelding. En bekeering is immers een veel diepgaander werk: dat des Heiligen Geestes?

Maar aangenomen zulks — en 't is niet tegen te spreken, 't is geheel het werk van Gods Geest — sluit dit nu allen invloed uit op gevoel of verbee!ding? Natuurlijk- geen wiegelen op het gevoel alleen, of meegaan met de verbeelding, de concientie moet worden gewekt: het karakter moet worden gekweekt, enz.

Maar wie zal dit nu willen gaan tegenspreken? Een rustige Bijbelstudie laat dit al duidelijk genoeg zien, reeds aanstonds in de gelijkenis van den zaaier (Math. 13). 't Is dat gezaaide dat op steenaclitigen bodem valt en terstond opkomt, juist omdat het geen diepte van aarde heeft, maar even terstond ook weer verdort, immers terstond geërgerd doet zijn.

Of dat „vluchtig zijn aangeboren gezicht in den spiegel opnemen, maar 't aanstonds weer vergeten", zooals Jacobus zoodanig beeld heeft gekozen. De Bijbel zal 't u dus zelf wel zeggen.

Ja maar, dat het zoo „op den man afgaat", zoo persoonlijk! Maar doet de Schrift 't dan niet evenzeer? Wanneer Nathan tot David zegt: „Gij zijtdieman?" Of als een Joliannes de Dooper het Herodes vlak in het aangezicht durft zeggen, wat hij in hem wraakt. En is het Woord Gods — naar de zinrijke uitdrukking van Hebr. 4 : 12 — niet als een scherpsnijdend zwaard, doorgaande tot de verdeeling der ziel en der samenvoegselen, enz.

Sluiten