Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het klassieke land der vrijheid is het wel eens genoemd, dat lage landje, ontwoekerd aan de zee!

Maar dit neemt niet weg, dat wij steeds strijd hebben te voeren, zullen wij de plaats, thans door ons ingenomen, met recht behouden, den goeden naam, dien wij verwierven, met eere blijven dragen; dit ontslaat ous niet van de verplichting, met ijver op den ingeslagen weg voort te gaan, opdat er geen stilstand kome en daarna achteruitgang.

Niet het minst geldt dit voor onze Vakopleiding, want ook te dien opzichte staat ons land mede bovenaan en wij kunnen ous verheugen over het feit, dat wij, vooral in de 1 atste jaren, goede vorderingen hebben gemaakt. Toch is het niet overbodig er op te wijzen, hoe wij hebben te waken voor zelfgenoegzaamheid, voor indommelen, omdat er nog zoo heel veel is te doen, er nog zooveel belangrijke vraagstukken aan de orde moeten komen, die alleen na grondige studie en rijp overleg, door bezadigde menschen van goeden wil en rijke ervaring zijn op le lossen.

Maar er is nog meer te doen. Ten aanzien van het reeds bestaande, is het noodig misverstand uit den weg te ruimen, wanbegrippen te doen verdwijnen, opdat ons meerdere en betere waardeering ten deel valle, in het belang van de zaak, die wij dienen, dan thans zoo hier en daar het geval wel is Nooit is mij dat zoo duidelijk geworden, als in het pas vervlogen jaar en meermalen heb ik mij afgevraagd, of datgene, wat ik met enkele anderen over een deel van onze Vakopleiding moest aanhooren, werkelijk in 1906 werd te berde gebracht en niet minstens twintig jaren vroeger.

Ook heb ik mijzelf, naar aanleiding van dat onverkwikkelijke feit, de vraag gesteld, of het dan wel waar is, dat, naarmate de jeugd meer intens onderwezen wordt, de samenleving beter wordt gediend, of het wel goed gezien is, de richting waarin wij ons thans bewegen, te blijven volgen En ik wil graag bekennen wel eens te hebben getwijteld, mij zelf afvragende, of het maar niet beter was, Gods water over Gods akkers te laten loopen in plaats van leiding te geven en voor zijne overtuiging uit te komen op gevaar af verkeerd begrepen te worden.

Maar gelukkig waren die weifelingen van korten duur en daarvoor bestonden vele redenen. Voorloopig wil ik op twee van die redenen wijzen. Ten eerste op het milieu van jeugdig, opgewekt en krachtig leven, waarin ik mij dagelijks bevind en dat noopt tot mede zich jong gevoelen en hoopvol voorwaarts blikken, heerlijke eigenschappen aan de jeugd in zoo hooge mate eigen en waaruit, voor ons ouderen, nog zoo veel is te leeren; ten tweede op mijne vaste overtuiging, dat men om iets goed te kunnen of te kennen, het eerst moet leeren. Deze eenvoudige waarheid, onlangs nog eens door een bekend en bekwaam inge-

Sluiten