Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„hier inderdaad, zoowel voor eertijds als nu? De beroepskeuze. „Welnu, vroeger zoowel als thans beslist het toeval. Niemand „heeft er beter, met meer belangstelling en gezond verstand „over gesproken dan de Heer corbon in zijn geschrift over het „beroeps-onderwijs. Hier is een kind van 13 jaren, zegt hij; „het heeft van zijn zevende jaar trouw ter school gegaan; wij „oordeelen het een goed onderwezen kind uit de arbeidende „klasse; in het oog zijner ouders is hij een geleerde; ook genlooven zij, dat het meer dan tijd wordt hem van de school te „nemen en voor hem een goede beroepskeuze te doen; maar „welk beroep? Altijd hetzelfde vraagstuk, zonder onderscheid „van tijd noch stand. Wat zal het kind doen? Niets uit zich „zeiven, en bijna altijd zullen zijne ouders even verlegen zijn „als hij. Men moet evenwel eeu besluit nemen, de nood dringt „en de keuze hangt af van eene kleinigheid, van een toeval. „Eene vermeende verplichting, het aanlokkelijke van eeu dadelijk „voordeel, het voorbeeld van een schoolkameraad, eeu toevallige „ontmoeting, een vermeende aanleg voor eene hoogere roeping, „in één woord een gril, een vooroordeel meer dan een overdacht „besluit beslissen. Zoo wordt het kind als het ware geworpen „in de werkplaats, te midden van onbekende gezichten, bijna „altijd zonder voorafgaande kennismaking. Waarvoor zal men „hem het eerst gebruiken? Minder om hem te leeren dan om „van hem gediend te worden. Hij is te jong en heeft geen „ondervinding, zoodat meu hi m eenige arbeid niet kan toevertrouwen, ze'fs geen eenvoudige bezigheid. Onder voorwendsel, „dat men hem niets beters kan laten doen, zal men hem ge„bruiken voor loop- en sjouwwerk, om den winkel op te knappen „en allerlei luttele zaken, en het eenigste wat hg leeren zal in „die omgeving, zal zijn de kunst om zich te verstrooien, om „zijn dag door te brengen."

„Het is voor het kind een gevaarlijk tijdperk, vol strikken. „Zijn toekomst hangt er van af. Hij is aan de schooltucht ontgassen, en vindt in de werkplaats geen toezicht. Het ondank„bare en toomlooze bestaan dat hij leidt, heeft geen prikkel en „niets aantrekkelijks. In plaats van nuttig bezig te zijn, is hij „ten prooi aan de ergste werkeloosheid, de zedelijke werkeloosheid. Hij ziet en gevoelt, dat hij /.ich uitput als eeu lastdier, „en inderdaad niets verricht-, dat hem voordeel aanbrengt. Vau„daar eene ontmoediging, die langzamerhand al wat goeds in „hem is, verstikt. Zonder voedsel voor het goede wordt hij ge„dwongen kwaad te doen. Omringd door menschen, die hem over„heerschen door leeftijd, kracht, hartstochten, neemt hij aan „hunne kwade zijde een voorbeeld; hij pocht op de ondeugd, „waarvan hij later het slachtoffer zal worden. Wie zal hem op

„dit hellend vlak tegenhouden? De baas? Maar bijna altijd out-

Sluiten