Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leden der Gemeente, belangstellenden in den groei en bloei onzer Gemeente en als zoodanig ook belangstellenden in den groei en bloei van ons Huis, vrienden en vriendinnen van ons gesticht, u allen feestgenooten roep ik een hartelijk welkom toe in dit ons bedehuis op den van Meimaand.

Wij zijn tezamengekomen om feestelijk te herdenken het 175-jarig bestaan van de stichting, thans genoemd: „het Evangelisch Luthersch Wees- en Oudenliedenhuis", in 't leven geroepen door den vromen zin der vaderen, in stand gehouden door de liefdadigheid der voorgeslachten, tot in de laatste tijden'het voorwerp van veler liefde en zorg, nu nog onder ons een teeken van wat christenplicht gebiedt, van wat teeder mededoogen met het lot van weezen en grjjzen vermag tot stand te brengen.

Het is u bekend dat de kinderen van ons huis hier in dit uur enkele toepasseljjke liederen, door een vriend der gemeente, Ds. Böhrixgër, gedicht, zullen ten gehoore brengen. Een daarvan hebt ge reeds gehoord en het was zeker bovenmate geschikt de gewenschte stemming onder ons te brengen. Reeds thans wil ik Ds. Böhringer hartelijk dank zeggen voor de bereidwilligheid, waarmede hij aan het verlangen van het weeshuisbestuur is tegemoet gekomen.

En ook zijt gij gekomen om een feestrede aan te hooren. Een feestrede! Dat klinkt u misschien wat hoog dravend in de ooren. 't Zou kunnen zijn, dat menigeen iets aanmatigends gelegen acht in de aankondiging van een feestrede, welke in den regel veel doet verwachten en dientengevolge ook dikwijls teleurstelt. Aan het woord „feestrede" kan ik niets verhelpen. Mijn woord tot u zal een

Sluiten