Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ach hoogmoed! Maar is dan de gaard,

Is de akker, versmachtend van dorst,

Hoogmoedig? — mij strijder op aard,

Aldus ook versmacht mij de borst.

O ij Prediker, daar in de lucht,

Hebt gij dan geen woord voor mijn hart?

En weet ge dan niet wat ik zucht?

En voelt gij dan niets van mijn smart?

Deze koude, onsympathieke wezens beklimmen ook in onze dagen nog de kansels. Hoe groot hun aantal nu nog is? Laten wij hopen, dat het steeds vermindert, Maar terwijl zij er nog staan, zijn de zuchtende kinderen der eeuw verdwenen. Zij hebben het elders en later misschien nergens gezocht. Wel vinden deze predikanten, schelders en verdachtmakers van andersdenkenden, nog een gehoor, maar het is niet meer, zooals het eene halve eeuw geleden een tijdlang was, uit de beschaafde kringen. Een ander soort luistert nu naar zulke bazuinblazers, totdat ook zij vroeger of later troosteloos zullen heengaan.

Hoe heerlijk komt tegenover deze mislukte kerkdienaars het figuur van Ds. Humanus, Theol. Dr., te voorschijn, ook door den Leekedichter geteekend. Dat doctoraat in de theologie van dezen predikant Humanus moet niet dienen om allerlei geleerdheid van den kansel mede te deelen, maar het onderstelt de noodige mate van ontwikkeling en beschaving, zonder welke een predikant zijn ambt oneer aandoet. Doch bovenal geelt die titel aanspraak op zóóveel wetenschappelijke kracht, dat Ds. Humanus eiken half-weter, eiken drogredenaar en vrijdenkerigen raisonneur, iederen onaangenaam riekenden Jan Rap kan staan en desnoods klein maken. Overigens is hij de type van een edel mensch , een nobel karakter, een echten Christen. Hij is een mensch — doch laten wij den Leekedichter zeiven aan het woord:

Sluiten