Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rijk heeft belang bg contml bj ";>euze uit de zich aanmeldende bijzondere onderwijzers.

Zelf veronderstelt de Minis'er de mogelijkheid, dat de commissiën, bedoeld in art. 54bis al. 1 sub 7o er niet zijn. In dat geval zijn de bijzondere onderwijzers en onderwijzeressen toch weer aan dezelfde willekeur overgeleverd , als , om alleen bij de jongste gevallen te b'ijven, de 12 t<> Dootinchem , de 4 te Helmond , de 2 te Heer, de 2 te Blerik , de eene te Ameide, te Heusden, te Mijdrecht en te Rotterdam. De goedkeuring van het niet op eigen verzoek verleend ontslag behoort, waar school- en gemeentebestuur tegenover het Rijk als gelijken behandeld worden, aan Gedeputeerde Staten te blijven, vooral in het belang der onderwijzers, die anders aan de ergBte willekeur bloot staan.

Nauw samenhang'n le met het ontslag is de opwachtgeldstellinp. Het Hoofdbestuur meent , dat ook hier geen verschil tusschen openbaar en t>ijzonder onderwijs mag blijven bestaan. Het opheffen van betrekkingen zal bij het bijzonder onderwijs evergoed voorkomen als bij het openbaar en kan daar zelfs een middel worden om zich van een onderwijzer te ontdoen , ook om een reden , die de oommissie, bedoeld in art. 5 4 in al. 1 sub 7o riet zou goedkeuren. Het schoolbestuur behoeft daartoe tegen 15 Januari slechts zooveel leerlingen naar de openbare school te verwijzen als voor de bereiking van zijn doel noodig is. Waar in zulke gevallen de openbare onderwijzer zich gedurende vijf jaren toch nog de helft van zijn salaris gewaarborgd ziet, behoudt de bijzondere onderwijzer geen enkel recht op eenige tegemoetkoming. Een bepaling gelijk aan die voor de openbare onderwgzers, raag bij een gelijkstelling voor de wet van gemeente- en schoolbestuur, voor de bijzondere onderwijzers niet ontbreken.

Men zou hiertegen kunnen aanvoeren, dat de gelegenheid om door het drijven van handel of het uitoefenen van nog een ander beroep, dan dat van onderwijzer, den bijzondenn onderwijzer gelaten en den openharen onderwijzer verboden is. Maar een van beiden is waar: of handel drgven en een ander beroep uitoefenen is schadelijk voor het onderwgs en dan is het ook verkeerd, dat de bijzondere onderwijzer het doet, of het is niet schadelgk en dan behoeft het ook aan den openbaren onderwijze niet verboden te worden. Het hoofdbestuur is de eerste met ng toegedaan en acht toepafsing van art. 35 en 36 op alle ond rwijzers een goeden, en onder de omstandigheden te scheppen door de voorgestelde we*, ook billijken maatregel.

Eindelijk ij hier nog gewezen op het misbruik, dat in den strijd tusechen openbaar en bijzonder onderwijs van schoolgeldheffing gemaakt wordt. Gelijke voorschriften zouden dit kwaad, zooal niet wegnemen dan toch verminderen.

Sluiten