Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan trouwens geen verwondering baren, vermits die grootere scholen word(n awgetroffjn in grootere centra van bevolking, waar de levensstandaar 1 hooger is en gelijk reeds ia § l werd opgemerkt als gevolg daarvan ook de salarissen een hooger

cijfer bereiken."

De bedoeling door Zijne Excellentie hier den vroegeren wetgever toegeschreven , zoekt men te vergeefs in de stukken en beraadslsgir gen over de wet van INB9. Wel zegt de toenmalige Minister daar ergens: „M<n vsrgete niet, dat de rijksbijdrage niet wordt gegeven aan de onderwijzers zelf , maar aan de gemeenten. En waar de regeerirg uitgaat van het denkbeeld , om bij de rrjksbiidrage rekening te houden met het aantal kinderen , daar is het niet meer dan natuurlijk, dat men aan de gro 'tere scholen ook grootere bijdragen geeft."

De regeering voegde dan ook in 1889 bij haar ortwerp een brjlate (C) met de bi doeling om aan te t oor en , dat door de voorgtstelde vergoeding het bedrag per leerling uit de schatkist betaald door het geheele rijk varieerde tusschen ƒ 5.40 tot ƒ 6.93. En toen de heeren Rartogh , Van H«uten en Rutgers van Rozenburg een amendement ingediend hidden, waarbij een classifieeering der scholen io verband met een saluriëenng werd voorgesteld , bestreed de Minister dit met de woorden : „Zooals nu wedtr uit de nadere toelichting blijkt, is het den voorsteller te doen om te zorgen, dat de traetementen der onderwijeers niet te laag worden gesteld. Nu hebben we echter, Daar mijne meening, hier bij art. 45 voor iets geheel anders te zorgen, namelijk hier.-o--. dat de gemeenten behoorlijk deelen in de bijdrage uit de rgüekas."

Duidelijk blijkt hieruit, dat de wetgever in 1889 alleen gedacht heeft aan het geven van een zooveel mogelijk gelijke bijdrage per kind aan de gemeente en dat dus het art. 45 in de wet van 1889 niets te maken heeft met een hooeere of lagere bezoldiging. Eu de wetgever van 1901 verkeerde in zi ker opzicht in dezelfde dwaling als Zijne Excellentie bij het stellen der memorie van toelichting bg dit ontwerp , want ook hij zegt, na de indeeling volgens het toenmalige artikel 45 aangehaald te hebben :

,,Bovenstaande indeeling berust blijkbaar op de overweging dat een gemeente in den regel aan hoefden van groote scholen meer salaris geeft dan aan hoofden van kleinere". Doch hij voegt er onmiddellijk aan toe : „oi dit wel volkomen juist gezien is, mag worden betwijfeld, daar de saarisscn nog van tol van andere factoren (plaatselijke gesteldheid, toestand der gemeentefinantiën enz ) afhankelijk zijn."

Daarmede vervalt de historische grond voor de samenkoppeling van tuVisidie en tractement, tw( e zaken, die om goed te zijn op zeer verschillende gronislag>n moeten beiusten. \oor

Sluiten