Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit onderwijs gegeven wordt door leerkrachten toet speciale bevoegdheid voor die vakken.

Ad. 7°. Ter toelichting van datgene, wat in het adres gevraagd wordt in zake art. 39, meent het Hoofdbestuur in de eerste plaats een ernstig woord van protest te mogen uiten.

Reeds in het voorloopig verslag der wet van 24 Juni 1901 werd aangedrongen op herziening van art. 39 der onderwijswet. Een kleine wijziging werd toen in dit artikel aangebracht; maar een wijziging zoo weinig afdoende, dat reeds in 1901, kort na de aanneming der wet, door de hoofdbesturen van het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap, den Bond van Nederlandsche Onderwijzers en de Vereeniging van Hoofden van Scholen, een adres verzonden werd, waarin de noodzakelgkheid van een wijziging in den geest als in het onderhavige adres onder 7b, wordt gevraagd werd aangetoond.

Bij de bthandeling der begrooting voor het dienstjaar 1901 werd nogmaals op verbetering aangedrongen, doch zonder gevolg, want Zijne Excellentie de Minister van Binnenlandsche zaken antwoordde:

dat waar nu pis in 1901 tot stand was gekomen een verbetering in de regeling van het wachtgeld, het zijn» inziens niet aanging om, eer 1902 uit was, weder te Z'ggen', nu moet het nogmaals verbeterd en veranderd worden. Er moest toch zijn eenige tijd, om deze nieuwe regeling op proef te laten werken. Maar volstrekt was daarmede niet bedoeld, dat indien naderhand bleek, dat weder een nadere wijziging van de Wet op het Lager Onderwijs toestanden in het leven riep, die voor den openbaren onderwijzer onhoudbaar waren, hij ongenegen zou zijn om een nadere herziening in overweging te nemen.

Kort na de indiening van het ontwerp-wet tot regeling der pensioenwetten is door het Hooflbestuur van het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap opnieuw op de vele leemten van art. 39 gewezen en is aangetoond, dat bij een herziening van de regeling der pensioenen, een verbetering der wachtgeldregeling hand aan hand kon gaan.

Het Hoofdbestuur beriep zich daarbij op de woorden uit de Memorie van Antwoord bij de behandeling der wet van 24 Juni 1901, waar de Regeering zich aldus uitliet:

.,De regeling der finantiëele positie van hen, die na vele jaren bij het onderwijs werkzaam te zijn geweest en dus op meer gevorderden leeftijd op wachtgeld gesteld worden, kan, hoewel ook naar de meening der Regeering noodzakelijk, thans niet terloops door een

Sluiten