Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe kleiner de school, hoe kleiner de aftrek na 1906 een streven om de school in 1906 zoo klein mogelijk te maken zal dus niet uitblijven. Met andere woorden , de gemeentebesturpn hebben er belang bg , dat zooveel mogelijk kinderen overgaan naar de bijzondere school ; overeenkomsten met schoolbesturen om ze te doen overgaan zullen niet uitblijven , betrekkingen in het openbaar onderwas zullen verdwijnen en de aldus ontslagen onderwijzers tengevolge der weinige vacatures niet herbenoemd worden. Het Hoofdbestuur wenscht daarom als zijn meeniog te kennen te geven , dat tengevolge van deze wijzigingen voor den openbaren onderwgzer onhoudbare tcestanden geboren worden.

Het zij het Hoofdbestuur verder vergund , onder vcrwgzing naar de Memorie van Toelichting bij het adres inzake de Ontwerp- Pensioen wetten, de aandacht te vestigen op de groote fouten , welke art. 39 aankleven.

Wat in den regel op-wuchtgeld-stellen genoemd woidt, is voor den onderwijzer niet anders dan een ontslag met behoud van half tractemeDt voor vijf jaar of voor het leven ; zulk een opwachtgeld-stelling heeft allecE plaats btjuphc ffir.g eener betrekking. Niet is voorzien in andere langdurige afwezigheid, zooals ziekte, vervulling van militiediensten, verkiezing tot lid der volksvertegenwoordiging, enz. Toch lijkt het het Hoofdbestuur wenechelijk, dat deze zaken, op welke bij verschillende gelegenheden , ook door het Nederlandsch OnderwgzersGenootschap is gewezen , afdoende worden herzien. Het spreekt van zelf, d':t niet »lle buiten dienst stellingen op dezelfde wijze kunnen worden geregeld Zordtr hierop nader in te gaan vestigt het Hoofdbestuur in het volgende verder uitsluitend de aandacht op degenen, die door opheffing hunner betrekking buiten dienst worden gesteld onder genot van wachtgeld.

Het neemt de vrijheid Uw aandacht te vestigen op de volgende bepalingen uit de wet op het Lager Onderwijs in België , waarin het een veel billijker en rechtvaardiger regeling meent te zien , dan in art. 39 der Nederlandsche Onderwijswet.

Een Koninklijk besluit van 21 September 1884 , gewijzigd door de wet van 4 Januari 1892 en door de Koninklijke besluiten van 30 Juni 1887 , 3 September 1891 en 20 October 1893 regelt als volgt het verleenen van wachtgelden voor afschaffing van bediening.

I. Het wachtgeld mag niet beneden de '/a der genoten jaarwedde, noch beneden 750 francs dalen,

II. Het wachtgeld is bepaald op de '/» der jaarwedde, zoo de belangbebbenle 5 dienstjaren telt, -/3 der jiarwedde voor meer dan 5 en minder dan 15 diens'jaren , 3/4 der juaiwedde voor meer dan 15 en minder dan 25 dienstjaren. Het wacht-

Sluiten