Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REGLEMENT voor het verstrekken der aanvulling van het Wachtgeld door het N. 0. G.

Art. 1. Indien een lid van het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap op wachtgeld wordt gesteld, vult het N. O. G. diens wachtgeld aan:

a. tot de helft van het bedrag, waarnaar het Rijkhet wachtgeld berekent, als de op wachtgeld gestelde minder dan vijf dienstjaren heeft;

b. tot twee derden van dat bedrag als deze vijf of meer dan vijf en minder dan vijftien dienstjaren heeft;

c. tot drie vierden van dat bedrag als deze vijftien of meer dan vijftien en minder dan vijf-en-twintig dienstjaren heeft;

d. tot het volle van dit bedrag bij volbrachten vijfen-twintigjarigen diensttijd.

In geen geval zal het wachtgeld van het Rijk met de aanvulling evenwel minder dan ƒ 375 bedragen.

Art. 2. De bepalingen, in art. 1 genoemd, gelden in 1903 en 1904 voor allen, die voor 1 Januari 1903 lid waren; na 31 December 1904 voor allen, die twee jaar of langer lid zijn op het oogenblik, dat zij op wachtgeld gesteld worden.

Art. 3. Aanvragen om aanvulling van het wachtgeld worden gericht tot het Hoofdbestuur.

Het Hoofdbestuur heeft het recht een kleiner bedrag toe te kennen, dan het in art. 1 genoemde.

Het heeft mede het recht een eenmaal toegestaan bediag te verminderen of in te houden, voornamelijk als het blijkt, dat (ie betrokken persoon geen ernstige pogingen aanwendt om opnieuw een betrekking te kiijgen.

Het is van die handelingen verantwoording schuldig aan de eerstvolgende Algemeene Vergadering.

Deze heeft het recht het besluit van het Hoofdbestuur te wijzigen.

Art. 4. Zij die aanvulling van het wachtgeld door het N. O. G. verlangen, zijn gehouden de volgende bepalingen na te komen:

Sluiten