Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij noemt u een „raad van eer"! en wilt beslechten een geschil tusschen twee partijen. Maar hoe! Zijn niet al uwe leden aangewezen door één dier partijen ? Is het nooit in uwe eer-lievende harten opgeklommen, dat Gij voor de helft door v. d. B., maar voor de andere helft door mij hadt behooren benoemd te worden ? Hebt Gij nooit een flauw idee gehad, dat Gij als „raad van eer" door de publieke opinie moet gewraakt worden, zoodra ik uwe geheimzinnige geboorte zou stellen in het licht? Gevoelt Gij er niets van, dat reeds hierdoor alleen èn uwe vergadering èn uwe beslissing is gedisqualiflceerd ? Is het U nu eindelijk duidelijk, dat reeds door deze formeele fout het lichte kaartenhuis van uwe zoogenaamde rechtspraak ligt ineengestort ?

Welnu ! ik vergeef U, dat Gij U een oogenblik hebt ingebeeld, een „raad van eer" te zijn. Het hooge stijgen heeft u wat duizelig gemaakt! Ik beloof U, ik zal U met dien naam van „eereraad" niet meer noemen : overtuigd als ik ben, dat Gij er bij blozen zoudt... en terecht!

Ik zal het er voor houden, dat Gij als Raad van Elf zijt saamgekomen, overtuigd als gij waart van de onbeduidendheid van het oordeel van ieder uwer afzonderlijk en gedachtig aan het aloude spreekwoord : Eendracht maakt Macht!

Maar ook als Raad van Elf gaat Gij niet vrij uit.

Ik heb tegen U, dat Gij, wat het eerste geschil betreft, de quaestie hebt verplaatst.

Ik heb tegen U, dat Gij de tweede i/uaestie hebt genegeerd... Wat zeg ik ? Hadt Gij ze maar genegeerd! Maar neen. Gij hebt er uw licht over laten schijnen! Gij hebt haar besproken. Gij hebt in mee qualiteit, het bestaan dier quaestie erkend. Gij hadt, zonder haar op te lossen, niet het recht, deze algemeenheid neer te schrijven: „DE waarheid is aan de zijde van Dr. v. d. B."

Waarom mis ik in uw officieel stuk een considerans met betrekking tot deze beraadslaging ? Kondt ge niet tot eenheid komen ? O, ik weet wel, de heer v. Wagtendonk, had evenals v. i). Bij li.aardt alle punten gehoord, (en, goed gehoord ook), die ik het genoegen had, boven in al hunne onmogelijkheid ten toon te stellen. Anderen hadden echter niets gehoord van al die dingen, die Dr. v. n. B. mij ten laste legde... maar nochtans . . . het doet er niet toe! wij kunnen het wel niet uitmaken, maar . . . v. i>. Biji.laardt heeft gelijk.

Ik heb tegen U, ten slotte, dat Gij, die u vermeet uitspraak

Sluiten