Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat die blijft opengesteld mits aan de gemeentebesturen nevens de bevoegdheid de vergunning daartoe te verleenen ook de bevoegdheid worde gegeven het slachten in andere afzonderlijke particuliere slachtplaatsen te verbieden, De Vereeniging acht echter het oprichten en exploiteeren van openbare slachtplaatsen door de gemeenten de meest gewenschte teestand.

De verplichting op te leggen aan gemeenten, met een aantal inwoners van ten minste 10000 en waar de uitvoering dezer wet het noodzakelijk maakt, om openbare slachtplaatsen op te richten is mogelijk niet geheel in overeenstemming met de staatsrechterlijke beginselen van ons land. Wij zijn echter van meening dat zonder deze verplichting niet kan worden verwacht, dat in gemeenten, zelfs waar zulks zonder groote financieële bezwaren zou kunnen geschieden en de uitvoering dezer wet zulks noodzakelijk maakt, vooreerst abattoirs zullen verrijzen, en ter bevordering van het oprichten van zoodanige inrichtingen, een wettelijk voorschrift wel noodzakelijk zal zijn.

Het in Pruisen door de Wet van 18 Maart 1868, gewijzigd en aangevuld bij die van 9 Maart 1881, gegeven voorbeeld, moge hier tot navolging leiden.

Art. 16.

Het voor gezamenlijke rekening oprichten en exploiteeren door twee of meer gemeenten, wier bebouwde kommen zeer na aan elkander grenzen, zal slechts bevorderlijk kunnen zijn aan het oprichten van openbare slachthuizen en voor sommige gemeenten, die op dit punt in overleg wenschen te treden voordeelig of althans minder bezwarend zijn.

Art. 17.

Toezicht van overheidswege op den bouw en de wijze van inrichting van slachtplaatsen is wel is waar nu reeds krachtens de Hindewet mogelijk, toch is het misschien niet overbodig een bepaling als de voorgestelde in een eventueële wet op te nemen-

Art. 18.

Deze bepaling achten wij noodzakelijk omdat hierdoor het algemeen toezicht wordt bevorderd. Vooral voor groote, dicht bevolkte gemeenten zal dit steeds onvoldoende zijn, zonder verplichting tot aangifte.

Sluiten