Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

La Veritf' frawjaise. „In het begin der ochtendzitting," zegt hij, „werd namens den keizer van Oostenrijk een veto, een verbod, uitgesproken tegen de verkiezing van kardinaal Rampolla. Het voegt mij niet in den breede te gewagen van de welsprekende protesten, uitgelokt door deze verouderde inmenging in de rechten van het H. College, lijnrecht in strijd met de Constituties van Pius IX en Leo XIII. Ik mag echter niet het stilzwijgen bewaren over de edele, waardige houding, aangenomen door kardinaal Rampolla. Zijne Eminentie verklaarde genoodzaakt te zijn een protest te doen liooren tegen dezen ernstigen aanslag, gepleegd op de waardigheid van het H. College en op de vrijheid der kerkelijke verkiezingen. Wat echter hem persoonlijk betrof, dankte hij de leden van het H. College, die op hem hun stemmen hadden uitgebracht, doch verklaarde zich niet in staat de zware lasten en de verantwoordelykheid van het Pausschap te dragen. Vandaar dat hem niets aangenamer» en tegelykertyd meer eervols — „nihil jucundius, nihil honorabilius" — had kunnen wedervaren dan dit veto van Oostenrijk." De pijnlijke verbazing, de verontwaardiging onder de kardinalen was groot en toen na de verklaring van den aartsbisschop van Krakau — want deze had de onaangename taak op zich genomen — de stemming volgde, bleek het, dat het H. College zich aan het veto niet liet gelegen liggen. Kardinaal Rampolla behield, zooals we reeds zeiden, zijn 29 stemmen, welk cijfer in de middagzitting nog met 1 vermeerderd werd. Doch Zijne Eminentie bleef volharden bij zijn besluit, dat van het begin af reeds had vastgestaan, om de tiara niet te aanvaarden. Hetgeen intusschen eveneens het geval was met kardinaal Sarto. Deze smeekte de kardinalen gedurende de zittingen en daarbuiten met aandrang, dat zij hun keuze zouden vestigen op een ander. Het antwoord was den volgenden morgen: Sarto 27 stemmen tegen 24 op Rampolla en 6 op Grotti. De patriarch van Venetië herhaalde zijn vertoogen en verzoeken. Het mocht niet baten. „Zoudt ge willen gelooven", zeide dezer dagen kardinaal Gibbons tot een zijner vrienden, „dat juist de bescheidenheid, maar tevens de

Sluiten