Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en hardste toppen op den duur uit de ijs- en sneeuwmassa's omhoog. \ eel meer valt zoo huiten dan binnen den kring van directe waarnemingen. Diepzeeloodingen komen dit gebrek eenigszins verhelpen, want bleek reeds vaak een meer of minder breed onderzeesch voetstuk ver van de kust een continent of eiland aan te kondigen, ook voor het verband van de Antarctische landen met de bekende werelddeelen is de oceanografie de geologie moeten ter hulp komen. Victorialand, dat zich in het midden als een ongeveer 2400 M. hoog zwak golvend hoogland van oude gesteenten voordoet, vertoont aan zijn O. rand bewijzen van heftige aardbeweging: 2—400 M. hooge bazaltkoppen, werkende en rustende vulkanen hebben hier de ongestoorde ligging der zandsteenlagen doorbroken. Iets dergelijks is in Grahamland opgemerkt en zoo nieenen velen, ook in verband met verschillende overeenkomsten in de levensvormen o. a. der zoetwatervisschen, dat zeer waarschijnlijk de hoogst bewegelijke aardstreken van de Z.-Amerikaansche Andes en van de N.-Zeelandsche Alpen in deze streken hun verbindingslid hebben. In de ondiepe zee strekt zich Victorialand blijkbaar terrasvormig naar het N. uit, en het wel 3000 M. diepe zeedeel, dat W. Antarctis van Z.-Amerika scheidt, is waarschijnlijk het resultaat van jonge aardzinkingen, die op vele punten rondom het Zuidland zijn opgemerkt.

Eigenlijk veel meer dan het land verdienen ijs en sneeuw hier een nadere beschouwing, maar. de verdeeling van land en water is ook hierbij juist een machtige factor, want een geheel ander uiterlijk vertoont ijs, naarmate het op land of op water is ontstaan.

Op zee vormt zich het zoogenaamde pakijs : de onrust van het zeewater laat eerst slechts schotsen zich vormen, die door aaneenvriezing, door golfpersing en ook wel door aangroeiïng van sneeuw, die er op neervalt, ten slotte uitgestrekte zeedeelen vullen met een meest zeer hobbelige, kantige ijsmassa. Storm en branding kunnen dit pakijs soms tot waarlijk groteske vormen omhoog werken. Aan de randen van het drijfijsgebied vertoonen zich eerst slechts wat schaarsche en dunne schotsen, maar langzamerhand neemt het aantal en de grootte

Sluiten