Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij zijn welverdiende rust had liggen genieten, en naderde de poort van den graanzolder.

Deze poort kwam uit op het ruime erf vóór de hoeve, en onderin had men een opening aangebracht, het zoogenaamde kattepoortje. Nu, onze poes naderde dan de poort en keek door het kattepoortje. Hij zag het kasteel en het verlaten [park. Kn aan den voet van een boom zag hij op de mooie witte sneeuw iets dat minder wit, maar toch bijna zoo wit was als die sneeuw zelve; en dat iets bewoog zich een beetje. Snel kroop Poes door het kattepoortje, daalde het laddertje af dat van de zolderpoort naar beneden voerde, en liep door de dikke sneeuw naar het voorwerp toe dat zijn aandacht had getrokken. Om de kou en de sneeuw gaf hij niets.

Weldra had hij het doel van zijn tocht bereikt, 't Was een arme verlaten kat, stijf van de kou, mager van den honger, neergehurkt in de sneeuw! Zij hield haar oogen toe en het kopje gebogen, en zij zag er zóó ziek en ongelukkig uit dat ze wel op het punt scheen te sterven.

1 oen deze kat onze grijze poes hoorde naderen, werd zij bang en wilde opstaan en vluchten; maar zij had er de kracht niet toe en viel terug in de sneeuw.

De goedhartige grijze naderde de zieke kat heel zachtjes en voorzichtig en berook haar, en berook

Sluiten