Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derzetting is Groningen langzaam ontstaan. En pas in de elfde eeuw heeft het zijn tijdperk van krachtige opkomst gehad, van wat men bij steden in Amerika den „boom" noemt. Wij willen dat denkbeeld in de volgende bladzijden wat nader ontwikkelen.

Ik wil hier, als allen, die over de wording van Groningen schrijven, den giftbrief vermelden van den Roomsch-koning Hendrik de Derde, zoon van Keizer Koenraad de Tweede1), omdat dit het eerste authentieke stuk is, waarin de naam der stad als „Cruoninga" voorkomt.

In het groote werk van Driessen: Monumenta veteris aevi inedita" (Onuitgegeven gedenkstukken uit den ouden tijd) komt een zeer fraai facsimile van dien brief voor, op de ware grootte uitgevoerd. Het oorspronkelijke stuk berust in het Rijks archief te Utrecht, het facsimile is in dat te Groningen aanwezig. Het is niet moeilijk te lezen en met sierlijken zwaai duidelijk geschreven. De datum is 21 Mei 1040. Ik zal hier den zin, waarop het aankomt, vertaald weergeven, of liever het deel van den zin. Want hetgeen hier volgt, is door mij tot meer verstaanbaarheid nog een weinig veranderd, en als 't ware tot een paar zinnen gemaakt, zonder dat de inhoud ook maar eenigszins wordt gewijzigd. In 't oorspronkelijke is alles één zin, en deze is met het hier medegedeelde nog niet uit. Wie den draad nu nog kwijt raakt, leze eerst alleen de gespatiëerd gedrukte woorden. Na een voorafgaand stuk zegt de Koning: „dat h ij, om niet den schijn te hebben van misbruik te maken „van de goederen, hem door God toevertrouwd, aan heel „de wereld van zijn tijd en later bekend wil maken, „hoe hij aan de kerk te Utrecht, gesticht ter eere van „St. Maarten-'), tot een aandenken aan God en tot vrome „nagedachtenis aan zijn vader, keizer Koenraad, wiens „ingewanden door hem (Hendrik) in die kerk zijn begraven, „welke kerk, zooals men weet, de eerwaardige Bernold, bekleed „met de bisschoppelijke waardigheid, op uitstekende wijze be„heert, — maar ook tot een aandenken aan zijn „eigen naam — een zoodanig landgoed, als hij be„zit in het dorp, Cruoninga geheeten, gelegen „in het graafschap Drenthe3), uit de vrije hand besluit ten „geschenke te geven; en dat wel met al zijn hofsteden, „de gebouwen, op zijn gronden aanwezig, zijn hoorigen, be-

1) Koenraad II was keizer van 1024—1039, zijn zoon Hendrik III van 1039—1056.

2) Dus de Utrechtsche Domkerk.

3) De naam van het landschap komt het eerst voor in de oude verhalen over Willehadus, den eersten Christenprediker in Thrianta. Dr. Volksalm. 1886, p. 23. Ook de jaargangen 1838, 1886 en 1905.

Sluiten