Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Studentenpad in. Dan zien wij links van ons een met wild en aangeplant struikgewas begroeide sloot, rechts van ons den Proeftuin, maar dan de kale, vlakke weiden. Links van ons is de grond hoog; de weiden liggen laag, de proeftuin helt een weinig af. Vervolgen wij de wandeling langs het pad, dat om de Noorderbegraafplaats loopt, dan zien wij dat deze hoog ligt, de weg naar den Paddepoel, die parallel aan ons pad loopt, ligt al lager, de weilanden op korten afstand van hem nog lager. Den hoek om, gaan wij zuidwestwaarts en zien wij aan de andere zijde den hoogen overkant van de bermsloot en van daar af den grond gelijkmatig afhellen. Daar schiet de Hondsrug als onder de klei weg, die de zee hier eeuwen en eeuwen geleden heeft neergelegd. De hoek is de noordelijkste punt van den Hondsrug. Wij vervolgen onzen weg langs het Bessenmenners of gewoonlijk Bessemoersteegje, waar wij links van ons de verwonderlijk versnoeide en vergroeide kurkijpen zien, die als haag den toegang tot de moestuinen moeten verhinderen. Ligt de Kerklaan en de rand van het plantsoen naar de brug over het Rietdiep nog op het diluvium, de straten meer westwaarts en de buitensingel, het werk van den Heer Van Harreveld, liggen op het alluvium. De oostelijke grens der stad valt vrijwel samen met die van den Hondsrug. De noordelijkste dwarsdoorsnede van deze belangwekkende vorming zien wij ongeveer aan de kaaimuren van het Rietdiep, de Noorderhaven, enz., en verder aan de duidelijke afhelling van de Bloernstraat.

Nu gaan wij zuidwaarts. Wij zijn al op de Natte brug geweest. Dit was jaren geleden het eindpunt van de wandeling der Groningers, als zij eens even de beenen wilden verzetten. Ja, velen keerden reeds bij de Droge brug weerom. Deze lag bij het Boschhuis over een droge vestinggracht, behoorende tot het uit vier lunetten bestaande zuidelijke verdedigingsfront der vesting Groningen en genaamd „de linie van Helpman". In den jare 1870 werden de vestingen dezer linie in staat van verdediging gebracht. Het zag er ijzingwekkend uit. De bijl was reeds geslepen, die het Sterrebosch, als binnen den rayon der vesting gelegen, zou omhakken. Maar, als men de verhalen uit dien tijd geloof mag schenken, dan waren de burgerlijke en militaire autoriteiten het op het punt van dat omhakken niet eens en hebben de eersten het gewonnen. Als wandelaars meer lust hadden, gingen ze tot den „eersten of tweeden Quintus-burcht". Tot Haren ging men niet. „Dat was zoo'n end."

Sluiten