Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijden staat er inaar een, langs de andere twee zijden staan er 3, 4 of meer, het grootste aantal weet ik niet. Deze steenen zijn alle een eindje in den grond ingelaten, zoodat zij vast staan. Of zij oorspronkelijk los op den grond zouden hebben gestaan, zooals Pleyte schijnt te beweren, zou ik niet durven tegenspreken, maar wel betwijfelen. De monumenten zouden het dan dunkt mij geen eeuwen hebben uitgehouden. De steenen in de lange zijden staan doorgaans twee aan twee over elkaar; maar soms staan er 2 tegenover 1 of 3 tegenover 2. Al deze steenen, die wij „dragers" of „draagsteenen" zullen noemen, zijn met een plat zijvlak naar binnen geplaatst. Dit zijvlak staat bijna loodrecht, een kleine overhelling naar binnen is bij vele zichtbaar. De as der figuur is dikwijls oost-west, maar wijkt ook niet zelden, enkele malen wel 50° uit die richting af.

Op die „dragers" liggen de „deksteenen", doorgaans veel grooter dan de eerste. Meestal nemen zij in grootte en zwaarte naar het westen toe, tenzij de westelijkste steen weer kleiner is dan zijn voorman. Elke deksteen heeft drie steunpunten en ligt op drie dragers; maar terwijl vele dragers maar een deksteen steunen, torschen sommige er twee en soms is een drager geheel vrij van dat werk. Het komt evenwel ook voor, dat een steen slechts op twee dragers rust en twee der 3 steunpunten zeer dicht bijeen staan.

Een en ander wordt door bijgaand schetsje van het hunebed te Tinaarloo, bij het station Vries-Zuidlaren, het meest bekende van alle, verduidelijkt. Het is lastig, zulk een teekening te maken. De grond is hobbelig en de benedenste omtrekken der dragers zijn geen vlakke, horizontale lijnen. Men gelieve de vele onnauwkeurigheden over 't hoofd te zien. De stand der draagsteenen blijkt uit het tweede figuurtje. Soms steunen twee deksteenen zijdelings tegen elkaar. Zooals de plattegrond doet zien, is er tusschen den oostelijksten drager en den daarnaast gelegenen van de zuidelijke rij een vrij wijde tusschenruimte, en ook eene tusschen dezen en zijn linker buurman. De eerste ruimte zal indertijd gesloten zijn geweest. De tweede is het „portaal", hier slechts zeer gebrekkig te zien. Vele hunebedden vertoonen die bijzonderheid zeer duidelijk. Ik hoop er later op te wijzen. Maar hier heeft de rechtsche portaalsteen een platten zijkant, in onze figuur niet als zoodanig te onderkennen. De drager, links van die gaping, heeft geen platten zijkant. Er is dus maar een haSve aanwijzing van een portaal. Maar er ontbreekt nog meer Er moesten in onze figuur buiten die twee steenen nog twee andere, of vier andere te zien zijn, die een toegang naar de binnenruimte van het hunebed vormden. Zij ontbreken hier en daarom ook in de figuur. Vervolgens moet men zich nog een

Sluiten