Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keld voor te stellen. Dat zijn zij ook eenmaal geweest, bij apen ff. Maar de stichters der hunebedden waren geen apen meerj zij stonden reeds op een trap van ontwikkeling, die een heel eind op weg was naar den onzen.

Nadat nu de plaats, waar het steengraf zou verrijzen, was geëffend en vastgeklopt, werden de dragers opgesteld, ieder precies op zijn plaats en in den stand, dien hij moest behouden. Pleyte lezende,1) zou men meenen, dat zij „op een met kleine keien geplaveiden grond" werden geplaatst. Dus los op den grond. Dit schijnt mij onjuist en schadelijk voor de hechtheid van den bouw, die toch zoo ongeloofelijk groot is. Maar de dragers staan tegenwoordig alle een eind in den grond. Heeft Pleyte gelijk, dan kan dit een gevolg zijn van de overdekking met aarde, die ik boven reeds vermeldde. Maar een nader onderzoek in loco zou hier gewenscht zijn. Ik neem aan, dat de dragers, ook die van de portaalgang, in den grond werden vastgezet. Dan werd de vloer van het geheel met kleine flinten geplaveid, daarop werden alle ongewenschte gapingen tusschen de steenen toegestopt en het geheel, ook de gang en de ruimte van den rechthoek volgestort en overstort met zand, goed vast ineengestampt. Alleen de bovenvlakken der dragers kwamen er bovenuit. Een of meer hellingen werden nu gemaakt en gaarne neem ik aan, dat men van allerlei hulpmiddelen heeft gebruik gemaakt om de deksteenen daarlangs naar boven te krijgen. Men had steenen werktuigen, geen ruw behakte (eerste steentijdperk), maar reeds gepolijste (tweede steentijdperk). Immers, dezulke werden uit de hunebedden te voorschijn gebracht en in de museums tentoongesteld. Maar men kon daarmede ook boomstammen gladmaken en ze op de hellingen leggen, en andere rond maken en ze als rollen gebruiken. Zulke aanwendingenVleert men in het bosch bij de omgewaaide dennen, waar de oerkinderen speelden en van alles uitvonden. En het eenvoudigste van alle enkelvoudige werktuigen, de hefboom, was toen stellig al een overoude inventie. In den winter neem ik gaarne ook de ijsbaan aan, aangelegd op de helling, die gemak gaf bij het naar boven werken der deksteenen. Maar nu voeg ik bij ai deze dingen, die ik bij Dr. Hartogh Heys en anderen vind vermeld, nog een van beteekenis. Dat is het touw, dat om den voort of op te sleepen steen geslagen, aan vele mannen te gelijk een aangrijpingspunt aanbood. En dat ze touw hadden, is haast zeker. Want in het kreupelhout vindt de bewoner van boschrijke streken hier de hop, elders de kamperfoelie en de haagwinde, wier taaie stengels zich soms vrij om

1) Pleyte, Nederl. Oudheden I, bi. 136. De teekening op plaat XLVI maakt de zaak niet uit. Zij is op dit punt niet volledig.

Sluiten