Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oud als de esschen zelf. Men ziet die scheisteenen ook in zuidelijker streken, overal waar Saksers wonen. De weg brengt ons in 20 minuten in het dorp.

Als wij daarentegen rechtsaf gaan, gaan wij ook den esch op, die door verscheiden wegen wordt doorsneden. Na een bayonetbuiging komen wij aan een viersprong van akkerwegen en gaan naar twee huisjes, links voor ons, met wat laag geboomte er bij. Daarbij liggen de twee steengraven van Midlaren, die wij straks zullen bekijken. Vandaag behooren zij niet tot ons programma. Wij gaan van ons standpunt langs de tramlijn verder. Dan komen wij bij een buurtje „De Plankensloot", een paar molens en huizen, door een schipsloot met een bocht van het Zuidlaardermeer verbonden. Nu herneemt onze weg zijn oude richting en komen wij spoedig aan den imposantsten ingang van het fraaie dorp. Nog maak ik attent op de afhelling van de gronden, links van ons. Wij zien daaraan, dat de oostelijke voet van den Hondsrug zich ook hier weder kenbaar maakt.

Nu hebben wij dadelijk gezellige, degelijke buitens rechts en links van ons. Zuidlaren maakt hier een zeer aangenamen indruk. Öuderwetsch deftig, zonder praal of vertooning, ligt hier het huis „Laarwoud", het hoogstanimige Reigersbosch er achter en langs onzen weg eerwaardige boomen, kolossaal van stam, die geheel in harmonie zijn met de seigneuriale omgeving. Wij gaan achter langs de kerk, zien dan de drie voornaamste hotels en staan op den ruimen Brink.

Tot zoover vandaag. Wij gaan nu eerst van De Punt langs een heel anderen weg naar Zuidlaren. Er is keus, zooals wij dadelijk zullen zien.

Wij gaan van het station eerst denzelfden weg als straks, maar slaan bij het buiten Blankeweer den weg in, die hier naar het westen gaat. Bij den eersten zijweg gaan wij weer naar links. Of liever, wij gaan dien zijweg nog een paar honderd meter voorbij en dan een zeer mooi heipaadje in naar links, dat zich van zelf presenteert.

Wij hadden van het station ook naar den Rijksstraatweg kunnen gaan en dan een weg kunnen inslaan tegenover het landgoed Welgelegen. Die weg voert ons vanzelf, als wij tenminste een weinig opletten, naar ons standpunt. Nu de heide op. Dat doet goed, zoo pas uit de stad, ineens onze heerlijke, echte heide.

O land der hei, ge toont uw schoonheid Niet aan wie vluchtig u genaakt,

Maar wie ze mocht ontwaren, nimmer Van uw bekoring los zich maakt!1)

1) Uit het gedichtje „Drenthe" van Mevrouw S. Ebbinge Wubben—Van Nes Dr. Volksalm., 1904.

Sluiten