Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en boomcn tot een zeer typisch geheel. Zie afbeelding blz. 55.

Het zijn er twee, in de richting van het west-noordwesten in eikaars verlengden gelegen. Dat valt dadelijk in het oog, maar ook, dat ze sterk verwoest zijn, zoodat wij eerst niets van de voormalige orde kunnen ontdekken. Een vijftal leerlingen van mijn vijfde klasse hebben ze met mij opgemeten (20 Maart 1904). Het westelijke is 4 meter breed en 10 lang. Dan volgt een tusschenruimte van 3.50 meter en dan het oostelijke, breed 4 en lang 14 meter. Het waren kolossale bouwwerken. Bij het oostelijke zijn geweldig groote dragers op te merken. Op een na alle deksteenen liggen schots en scheef op den grond. Die eene is no. 3 van het westelijke steengraf, van het westen af geteld. Op de afbeelding vertoont hij zich juist achter die twee eiken. Hij steunt nog op zijn drie steunpunten, maar een ziet er zoo griezelig zwak uit, dat men zou aarzelen den steen te beklimmen. Overigens kan men de zes jukken van dit westelijke steengraf in gedachten zeer goed restaureeren. Bij het andere zal dat niet zoo goed lukken. Het westelijke vertoont nu nog een zeer duidelijk overblijfsel van het „portaal". Ik heb, zoo goed en zoo kwaad het ging, bijgaande schets gemaakt van de grondlijnen der 4 draagsteenen, die het samenstellen. Nog zijn de twee naaste steenen der zuidelijke rij aangegeven. AAen ziet wel de vlakke kanten, die vrij goed in eikaars verlengde liggen (bl. 56).

Bij het officieele onderzoek van 1870, en nog eens later, zijn in deze twee gedenkteekenen urnen, wiggen of beitels, veel potscherven en een pijlspits van vuursteen gevonden (zie bl. 37).

Nu kunnen wij naar den weg teruggaan, dien wij vroeger volgden, of een der wegen kiezen, die over den esch naar Zuidlaren leiden. Maar dat doen wij niet. Wij nemen eerst den weg, die voorlangs de huisjes loopt en dan den eersten weg rechts. Doorloopende, zullen wij een zeer langen, rechten weg bereiken, die naar het zuidoosten is gericht. Hij brengt ons bij het gesticht Dennenoord, waarvan wij de gebouwen al bij de hunebedden hebben gezien, op den weg, die het dorp Zuidlaren met zijn station verbindt. En zoo komen wij wederom bij het doel der wandeling aan.

Den loop alleen, zooals ik dien nu hoofdzakelijk heb geschetst, van station De Punt tot het dorp, acht ik (zonder de oponthouden!) twee uur te kosten.

Sluiten