Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij weder westwaarts tot aan het punt, waar de Boschjes beginnen. Dan volgen wij het ons bekende pad, dat op de scheiding van bosch en esch in bevallige bocht voortgaat en door ons zoo even in omgekeerde richting is bewandeld. Na 12 of 13 minuten gaans krijgen wij aan de rechterhand een weg met een karrespoor in 't midden, aan beide zijden bosch, door slootjes en dijkjes van den weg afgescheiden. Dien gaan wij in. Een aardig stukje boomrijke heide volgt, als het bosch ophoudt; zeer geschikt om er een tijd te liggen lezen of babbelen of naar de wolken te kijken. Als wij verder gaan, kruisen wij alweer een weg, ons van vroeger bekend. Wij treden het boschje aan den overkant is, dat wij langs een leuk paadje in schuine rechting doorsnijden. Daar zijn wij opeens op bouwland, waarop een paar hutten staan. Het pad wijst zich vanzelf. Naar die huisjes en dan rechtsaf. Weer dwars over een weg en de heide op. Nu zie men goed uit. Dit is de eerste kale heide, die wij betreden. Op heete dagen is het er geurig en niet te heet. Dan komt men er wel eens een adder of een hagedis tegen. Aardig is het, beider bewegingen gade te slaan. Sierlijk en vlug. Heb maar geen vre;es, dat de adder u zal aanvallen, maar plaag haar niet en tracht haar niet met de hand te pakken, of druk eerst met een vlak gehouden stok op haar hals en grijp haar daar dan vast. Dan kan zij u geen kwaad doen en kunt gij haar rustig bewonderen. Een hagedis kan men gerust met de hand aan haar hals vastgrijpen. Al bijt zij u in den vinger, dan is het nog niets. Dan kunt gij haar juist mooi met de andere hand pakken. Grijp haar niet bij den staart; die breekt gemakkelijk af.

Welke richting moeten wij inslaan? Er is een pad, dat men niet dadelijk ziet, maar dat slingerend naar het zuidwesten loopt. Wij gaan maar in die richting er op los en zullen het pad wel ontmoeten. Dan naar de groene hakhoutboschjes of hagen akkermaalshout, die den esch van Schipborg omgrenzen. Ons pad wordt een karrespoor en op den esch een akkerweg. Dezen volgen wij nu maar. De bodem rijst zachtjes aan, terwijl de weg naar het zuiden buigt en den voet van een klein, fraai gevormd gebergte bereikt. Wij zijn aan den Kymellberg.

Is dat nu een „berg"?

Waarom geen „berg"? Hoe hoog moet een grondverheffing zijn, om een berg te mogen heeten? Zijn wij Nederlanders onbescheiden, als wij van onze Veluwsche en andere „bergen spreken? Deze berg heeft een mooi silhouet, dat zult gij toestemmen. En hij heeft dat met groote bergen, bijv. den Montblanc gemeen, dat hij van verschillende zijden kan worden bestegen en dan telkens andere genoegens aanbiedt. Hij is in den laatsten tijd een aantrekkingspunt van de Groningsche wandelaars ge-

Sluiten