Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de verte en begreep, dat hij verwacht werd. Hij rukte met zijn vreedzame en vretende legermacht op ons aan en maakte vlak bij ons halt. Nu sprak ik den man aan, die op mijn verzoek met zijn schopje ging manoeuvreeren. Verwonderlijk juist wist hij daarmede kluitjes te werpen naar elk schaap, dat afdwaalde, met het doel, niet om het in het riet te sturen, maar naar de kudde terug te jagen. Toen zond hij de honden op een paar verder verwijderde schapen af, die wat achtergebleven waren. Maar voordat de honden bij hen waren, zetten zij het al op een loopen en waren terstond weer bij den hoofdtroep. Het heideschaap is, naar beweerd wordt, veel snuggerder dan zijn kameraad van de vette weiden en kwelders, die zijn voedsel maar voor 'tbijten heeft. „Hoeveel schapen heb je wel, Scheper?" „Zoowat 700, meneer." En zoo antwoordde hij mij op verscheiden vragen. Nu hij: „Is meneer aan het wandelen?"

„Ja, Scheper."

„Zijn dat meneer z'n dochters?"

„Neen, Scheper, ze zijn niet van mij, maar ik moet hun van alles laten zien en op ze passen. 'tZijn als 't ware mijt» schapen."

„Zoo? Ja!"... en nu met een oolijk gezicht: „Dan kon meneer met zijn drie nog wel eens meer moeite hebben als ik met mijn zevenhonderd!"

Wij weten het nog best.

Bijna halfweg Anloo komt men voorbij dat dennenbosch, dat door den wind van boven zoo mooi is platgeschoren. Het ligt wat hooger dan de weg en onwillekeurig gaat men er heen; maar de verwachting, dat men er een zeer mooi uitzicht zal aantreffen, komt niet uit. Wij hebben dit bosch van de buitenplaats af al opgemerkt. Anloo begint er al vriendelijker uit te zien, als het dichterbij komt. Mooi ligt daar zijn aardig kerkje in zijn nest van boomen. De heide maakt nu plaats voor de weide en als wij weldra over het „Anlooër diepje" gaan, zijn wij ook midden in zijn vruchtbare oeverlanden, alle akkers en graslanden door welige hagen omgeven, waarin veel kamperfoelie en hulst voorkomen. Wij treden het dorp binnen en zijn, na een wending links, bij den zeer langwerpigen brink, waar het eerste huis rechts de herberg is van J. Mulders. Daar wordt men altijd vriendelijk ontvangen en knap bediend. Ook de koffie is er goed. Hoe dikwijls heb ik daar niet met mijn gezelschap geweest, gezellig op het grasveld bij het huis of onder de boomen, waar het windvrij was, om een tafel met stoet en melk en koffiegerei, en keken wij naar de landelijke stoffages, mannen en vrouwen, koeien en schapen, die voorbijkwamen, of weigeladen

Sluiten