Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haagbeuken, hulst, gagel, wart'hout, bramen, enz., de brem niet te vergeten. Elders groeide alleen heide en het lage struikgewas, dat daar wassen kan, terwijl hier en daar het stuivende zand alleenheerscher was, en den strijd op Flora's kinderen won. Dr. H. Blink vermeldt1), dat hij bij Nieuw-Amsteerdani de overblijfselen van drie bosschen boven elkaar waarnam. Het onderste wortelde in den ondergrond van het veen en vertoonde nog sporen van de ondereinden der stammen. Het tweede lag eenige voeten hooger in de veenlagen ingesloten en het derde wederom iets hooger. Eeuwen zijn er overheen gegaan, om zulk een formatie tot stand te brengen.

Die oude plantenwereld was sterk bevolkt met dieren, groot en klein. In de ijstijden waarschijnlijk groote olifanten als de mammoets en neushoorns, groote verscheurende dieren als leeuwen en beren, wilde paarden, herten, als de eland en het rendier, runderen als de urus of aueros, de wisent of Europeesche bison. De eerste leeft nog (beschermd) in Lithauen, de laatste werd ten tijde van Caesar nog overvloedig in Germame's bosschen aangetroffen. Dan vele kleinere soorten als wolven, vossen, marters, wilde katten, hazen, konijnen, bevers, wilde zwijnen, enz. enz. Vele van deze soorten zijn al voorlang uitgeroeid door de 'menschen, die van hun vleesch leefden en andere lichaamsdeelen voor allerlei doeleinden nuttig gebruikten; of ze zijn door verandering van klimaat verdwenen, of om andere redenen uitgestorven. Ik beweer ook niet, dat van al de opgenoemde dieren bewezen is, dat ze in ons Noorden werkelijk hebben geleefd. Dat bewijs zou zijn geleverd, als men van allen de fossiele overblijfselen had gevonden. Maar die zijn in het westen van MiddenEuropa op tallooze plaatsen aangetroffen. Daarom is het waarschijnlijk, dat ze ook Drenthe hebben bewoond.

In een oorkonde van Keizer Otto den Groote van 943 wordt bevolen „dat niemand zonder verlof van Bisschop Balderik in de bosschen'van Drenthe beren, herten, reeën, wilde zwijnen,en den „elo" en den „schelo" mag jagen. Deze laatsten zijn zonder twijfel de eland en een reuzenhert. 2) Thans schiet men er hazen en konijnen, vossen, en bij uitzondering een ree en een wild zwijn; voorts patrijzen en korhoenders, van waterwild en ander gevogelte niet te spreken.

De mensch in de ijstijden en tusschen-ijstijden leefde van wild, dat door de mannen werd gejaagd, die zelf hun wapens maakten of door ruilhandel kregen en voorts luilakten. De vrouw moest hard werken; zij moest de jachtbuit bewerken, kleeren maken van de

1) Dr. Volksalm. 1903, bl. 82.

2) Dr. Volksalm. 1883, p. 117.

Sluiten