Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op dezen weg nog verder gaan, gelijk de phantasierijke schrijver deed, van wien ik sprak aan het begin van mijn werkje over het vergaan der wereld en die alle hemellichamen voor levende wezens verklaarde, voor cellen in een grooter lichaam; de zoogenaamde doode stof is het geraamte en wij levende wezens, wij kleine menschjes zijn de cellen, welke zich rangschikken tegen den grooten celkern: de aarde, enz.

Wat echter bedenkelijk is aan Bölsche's bewering, is dat ze evenmin bewezen kan worden als weerlegd. Ze zegt immers uitdrukkelijk dat wij nooit een bewijs van leven aan den steen zullen bespeuren en dus kunnen we ook nooit gewaar worden of hij werkelijk gevoel bezit. Het is waar, gelijk ook Bölsche heel mooi uiteenzet, dat men eigenlijk onweerstaanbaar gedrongen wordt deze oplossing van de groote vraag te aanvaarden, wanneer men overweegt hoe zich verder alles van het eenvoudige ontwikkeld heeft tot het meer volkoinene, de hemellichamen en de levende wezens, het gevoel, voor zoover wij dit werkelijk bespeuren kunnen, het bewustzijn, het geestesleven in den mensch, kortom, alles en iedereen. En dan zou er op eenmaal een sprong plaats gehad hebben, een wonder geschied zijn in den tijd, toen de aarde zich voldoende afgekoeld had: de geest, uit het niets voorgekomen, immers vóór dien was hij niet op de uitgebrande aarde, zou plotseling in den dooden steen gevaren zijn; uit een klompje aarde werd de amöbe, de eerste kiem des levens, die zich nu vrij opwaarts kon ontwikkelen tot aan den mensch! In de gansche ontwikkeling der werelden is slechts dit èène wonder noodig, al het andere wat vóór en na geschiedde, blijkt althans verklaard te kunnen worden, al is voor het grootste deel ervan de verklaring nog niet gevonden. Door aan te nemen, dat ook in den steen een minimum bewustzijn steekt, hebben wij de noodwendigheid van dat èène wonder ook terzijde geschoven en

Sluiten