Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En daar wij, noch omlaag, noch omhoog, grenzen zien in deze reeks van trappen in de ontwikkeling der natuur, zoo zijn er ook, voor zoover ons begrip rijkt, geen grenzen voor haar opwaartsche ontwikkeling, vroeger heeft men gezegd, dat het heele wereldgebeuren eenmaal een einde moet hebben, omdat in de bijna absolute koude wereldruimte de spaarzaam verdeelde massa's eenmaal zelf deze buitengewone koude aangenomen zullen hebben. Dat wil zeggen, dat eenmaal alle kringvormige omloopsbewegingen der atomen in de moleculen, welke behalve voor de warmte ook de voorwaarde zijn voor alle andere schei- en natuurkundige verschijnselen, op moeten houden, dat alzoo een volledige uitwisseling van alle krachten en dus volkomen rust en verstijving moet intreden. Men noemde dezen toestand de entropie der werld, die, eenmaal bereikt zijnde, eeuwig zou moeten duren. De wereld zou dus een dood tegemoet gaan, voor welke geen opstanding meer zou zijn.

Wij kunnen van het standpunt van onze wereldbeschouwing deze meening niet meer deelen. Al moeten ook eenmaal zeker de innerlijke bewegingen der tegenwoordig als zoodanig bestaande atomen in de moleculen ophouden, wanneer zij het absolute nulpunt der temperatuur bereikt hebben, zoo zijn dan juist die moleculen weer atomen geworden van een hoogere ontwikkeling, waartoe dan de wereld, wel verre van in eeuwigen dood verzonken te zijn, opgestegen is. En al zou ook zelfs eenmaal de materie van het heele Melkwegsysteem zich verdicht hebben tot zijn maximale dichtheid, zoodat zelfs het kleinste deeltje zich binnen dit hemellichaam-atoom niet meer zou kunnen bewegen, dan zou het toch nog een voortgaande beweging in de ruimte hebben, juist gelijk aan die, welke de oeratomen ook hadden en zou het eenmaal een gelijkvormig hemellichaam-atoom vinden, met welke het een nieuw molecuul zou kunnen vormen,, misschien doordat het zich door een vreeselijke botsing weer gedeeltelijk

Sluiten