Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aard wijden. In zijn rede aan Joubert's graf op diens plaats bij Volksrust bracht Louis Botha een waardige hulde aan zijn voorganger, maar gat' hij tevens te kennen diens fouten als opperbevelhebber te beseffen en op sommige punten een geheel nieuwen koers te willen volgen.

Een van zijn meest verdienstelijke eigenschappen als commandant-generaal was zijn beslistheid in het tekeergaan van misbruiken. Een sterk bewijs daarvan was, dat hij niet als generaal Joubert personen, die bewezen voor hun taak niet geschikt te zijn, uit vriendschap of om politieke redenen bleef' handhaven in hun betrekkingen, maar zoodanige lieden degradeerde of van elk bevel ten eenen male ontzette. Na het gevecht bij Donkerhoek, ten Oosten van Pretoria, b.v. zette hij in eens vier vechtgeneraals af, o. a. generaal Snyman (de man, die Sarei Eloff te Mafeking zoo jammerlijk in den steek heeft gelaten), en de generaals du Toit, Liebenberg en Douthwaite. Daarentegen benoemde hij Ben Viljoen toen tot vechtgeneraal. Natuurlijk hadden de afgezette generaals ook hunne aanhangers, maar dat Louis Botha zijn wil kon doorzetten zonder dat dit tot moeilijkheden van eenige beteekenis aanleiding gaf, bewees een keer te meer zijn groote populariteit.

Ondanks dit en andere bewijzen, die Botha heeft gegeven van zijn doortastendheid en vastheid van wil, hebben sommigen gemeend, dat hij ook meermalen wankelmoedigheid heeft getoond. Men heeft vooral de bewijzen daarvoor gezocht in de manier, waarop Pretoria is overgegeven, in zijn onderhandelingen met Kitchener in 1901, en ten slotte in zijn houding vóór het sluiten van den vrede. Dit laatste blijve voor het oogenblik buiten beschouwing, evenals de vlagen van moedeloosheid waaronder de Transvaalsche regeering een paar malen gebukt is gegaan en waarvan hij als lid der regeering natuurlijk niet onkundig is geweest. Maar afgescheideu hiervan heeft Botha zeker recht op een betere beoordeeling. Ter staving van dit oordeel volge hier het getuigenis van een paar mannen , wier gezag wel boven allen twijfel verheven is.

Sluiten