Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oceaan, maar op liet onmetelijk gebied der geesten, niet alleen voor het vaderland, maar ook voor de eeuwenoude Moederkerk. Overeenkomstig vader's stillen wenscli, die zijn zoon niets liever zag worden dan priester, koos hij den geestelijken stand. Naar Kuilenburg was nu de aangewezen weg.

Op dit Klein-Seminarie verbleef hij vijf volle jaren en hadden zijn leeraars „de bescheidenste, maar de moeilijkste taak, om een klein, bandeloos wezen, dat nog niet wist wat hij wilde of kon. te vormen tot een ontwikkeld stuk bruikbaar mensch voor de wereld." 1 Hij voelde er zich vooral aangetrokken tot den goedhartigen pater A. J. van Lommei S. J., een verdienstelijk geschiedvorscher, onder wiens toezicht hy zich het vlijtigst toelegde op historische studie. Hij behaalde er eens den prijs voor den wedstrijd in Latijnsche gedichten, 2 maakte ook Hollandsche verzen en bezong o. a. al de patroonheiligen zijner familie. „Ik hoop — zuchtte hy later — dat zij het mij zullen vergeven; het zal wel een zingen geweest zijn. Gelukkig heb ik geen enkel van al deze verzen onthouden, en ik hoop en bid, dat een genadige Voorzienigheid ze teloor heeft doen gaan."

Nochtans, van Schaepman's toen reeds veelbelovend talent is het volgende staaltje een merkwaardig bewys. Tijdens zijn verblijf te Kuilenburg bracht de toenmalige vicaris-generaal Mgr. A. I. Schaepman daar een bezoek. Een der paters zeide toen: „Monseingeur, hier is een jongmensch, misschien uw neef. In dien persoon ligt een groot talent." 3

In den herfst 1863 werd hij student der theologie op het Groot-Seminarie te Rijsenburg. Aan 't hoofd dergenen, die hem „door leer en door leven tot een katholiek priester gevormd" hebben, stond toen de president F. P. van de Burgt, „een man, die boven alles een karakter was." 4 Onder de professoren blonk vooral uit de geniaal-aangelegde hoogleeraar in de kerkelijke geschiedenis en het Oude Testament W. G. van

1 Dankrede 15 Aug. 1892.

2 Dr. J. ten Brink 160.

3 Eigen Haard t. a. p.

4 Menschen en Boehen 3e Reeks. Inleiding XII.

Sluiten