Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verried, toen hij openlijk zei: „dat deze man mijn grootste weldoener is geweest".

Naast en onder dezen edelen kerkvoogd dankte hij veel aan zijn vriend Van Heukelum, destijds kapelaan bij Mgr. Schaepman in de Metropolitaankerk te Utrecht. Aan Mgr. Van Henkelum en diens trouwen „maat" E. Greerdink, thans pastoor te Vianen, droeg hij later met warme dankbaarheid de 2e Reeks van Menschen en Boeken op. Beiden waren in den loop deijaren zijn reisgezellen op zeven verschillende groote reizen door Europa, zij bleven doorloopend zyn trouwe gezellen op de groote levensreis. Vooral aan eerstgenoemde was hij niet alleen „groote levensvreugde", maar ook veel levenswijsheid verschuldigd.2

Spoedig na zijn priesterwijding kreeg Schaepman verblijf in de pastorie van zijn neef Mgr. den Vicaris-generaal en plebaan. Daar werd de reeds bestaande vriendschap tusschen hem en Van Heukelum nog vaster toegehaald. Zij waren immers „gelijkgezinden";8 beiden geestdriftvolle vereerders van het Ware, Goede en Schoone; beiden vol idealen en baanbrekende plannen voor de toekomst. Kapelaan Van Heukelum maakte zyn jongeren vriend vertrouwd met de schoonheden der middeleeuwsche kunst en mystiek; bracht hem in kennis met kunstliefhebbers als August Reichensperger en Franz Bock, die aan de pastorie te Utrecht op bezoek kwamen; leidde hem rond in de Musea van Trippen- en Mauritshuis; hoorde met een critisch oor zyn pasgemaakte verzen, opstellen en preeken aan; kortom, opende hem over heel wat menschen en dingen, waarvan de neophiet wel nimmer iets vernomen had, een nieuwen gezichtseinder.

Op 9 Maart 1868 nam Mgr. Schaepman bezit van den aartsbisschoppelijken zetel. Hij bleef in de pastorie van St. Cathrijne wonen en behield daar zyn beide veelbelovende gunstelingen bij zich. Van Heukelum werd benoemd tot conservator van het Museum. Schaepman kreeg nog geen vaste

1 Ver;. Dichtui. XXXI. a T. a. p. XXIII—XXIV. * T. a. p. XVUI.

Sluiten