Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misschien wel de gloed- en klankrijkste, die ooit uit zijne pen vloeiden, heeft Schaepman in één nacht geschreven en persklaar gemaakt. Spoedig op elkander volgden in 1867 JJe pers en S. Maria, de zomlaresse van Egypte. Laatstgenoemd dichtwerk bezorgde hem „de groote vriendschap van Potgieter." 1 Toen Schaepman naar Rome ging ter voltooiing zijner studies, was zij n naam als dichter reeds voorgoed gevestigd.

Eén omstandigheid was hem daarbij zeer gunstig: de betrekkelijke leegte aan den hemel onzer vaderlandsche poëten. Da Costa was heengegaan, de ster van Beets en Potgieter reeds aan het tanen; De Grénestet, Hofdijk en Ten Kate, sterren van den tweeden rang, blonken nog het meest. Green wonder, dat Hofdijk toen bezorgd schreef: „Met geringe uitzondering kan alzoo een onbevangen oordeel heden niet anders getuigen dan: onze Letterkunde verkeert in een periode van rustige kalmte"; en dat hy nergens een „krachtig talent" ontwaarde, „waarin onze Letterkunde een vonkelend gesternte ziet opgaan, dat met overstralenden glans belooft te schitteren." Tenzij—voegde hij eraan toe — het de jeugdige, onbekende dichter ware van Be Paus, over wien zich evenwel de vraag opdringt: „Zal hy zich handhaven op het gebied der poëzy ?" 2

Tijdens zijn verblijf in Rome heeft Schaepman liet Lied des Koiiinffs gemaakt en nog enkele verzen, ter verheerlijking van de Eeuwige Stad en haar wonderbare schoonheid.3 Na zijn terugkeer, in 1871, verscheen Parijs; een jaar later Napoleon, geprezen als een zijner beste gedichten, uitmuntend door treftende uitbeeldingskracht en dramatischen hartstocht. Verder schreef hy tal van feestzangen en gelegenheidsgedichten in verschillende periodieken.

Zijn toppunt van dichterroem bereikte Schaepman door de Aija So/ia (1886), „de rykste en weelderigste vrucht van zijne dichterlijke droomen, gedroomd, toen hij door het aloude

1 Ver:. Dichliv. XXVII.

2 Geschiedenis der .Xed. Letterk., door W. J. Hofdijk (4e druk 1867) 521—522.

' Verz. Dichtiv, 155—179.

Sluiten